Studieavond ‘Spelling, hoe speel je dat?’: naar een vernieuw(en)d spellingonderwijs?

Gisteren vond in Gent de studieavond Spelling, hoe speel je dat? plaats, georganiseerd door de onderzoeksgroep GoLLD (Vakgroep Vertalen, Tolken en Communicate, Universiteit Gent), uitgeverij De Boeck en het tijdschrift Over Taal. In de zaal zaten vooral leerkrachten Nederlands uit het secundair onderwijs, en de vrij hoge opkomst was een duidelijk bewijs dat spelling en spellingonderwijs hot topics zijn: aan spelling wordt een hoog (symbolisch) belang toegekend, zowel binnen als buiten het klaslokaal. De vier sprekers probeerden in hun bijdragen een aantal prominente vragen te beantwoorden: hoe staan leerlingen en studenten in 2015 tegenover spelling, en hoe scoren ze op spellingtests? Zijn leerkrachten strenger op spellinggebied dan pakweg HR-managers? Waarom vinden we dt-fouten zo erg? Hoe moet spellingonderwijs concreet vorm krijgen, en hoe zeker niet? En welke vernieuwende (elektronische) leermiddelen kunnen ons helpen om leerlingen beter te leren spellen?

Filip Devos presenteerde in zijn bijdrage de resultaten van een reeks eerdere onderzoeken, die hij alleen of samen met masterscriptie- en doctoraatsstudenten heeft uitgevoerd. In tegenstelling tot de negatieve berichten in de media en het parlement over hoe vreselijk de spelling van jongeren wel is geworden, blijken leerlingen vrij goed te scoren op spellingtests. Wie een talenopleiding volgt, scoort iets beter, maar zowat alle leerlingen scoren goed. Een kleine kanttekening daarbij: leerlingen scoren wél zwak tot zeer zwak als het over zinsontleding (grammatica) en kennis van de woordsoorten gaat. Devos onderzocht ook de attitudes van leerkrachten, en daaruit blijkt dat de leerkrachten hun leerlingen vrij goed kunnen inschatten: de spelling van leerlingen wordt als gemiddeld ingeschat, grammatica als erg zwak, mondelinge vaardigheden dan weer als vrij goed. Ook leerlingen schatten zichzelf op spelgebied goed in, zo blijkt: in de meeste gevallen zijn ze zeker van hun antwoord als ze een spellingtest invullen. In recent onderzoek, in samenwerking met Sofie De Worm, werd de attitude van leerkrachten tegenover spelling vergeleken met die van HR-managers – om te testen of de hardnekkige stelling dat sollicitatiebrieven met spelfouten erin meteen de prullenbak in vliegen wel steek houdt. Uit het onderzoek blijkt er geen verschil in attitude te zijn: HR-managers en leerkrachten zijn even streng. Dt-fouten staan trouwens met stip op één in de toptien van irritantste spelfouten.

Die conclusie vormde meteen een mooi bruggetje naar de tweede spreker, Dominiek Sandra. Die kennen we intussen vooral van zijn onderzoek naar de mentale processen achter dt-fouten, waar hij het ook nu over heeft in zijn bijdrage. Sandra ziet een paradox achter die dt-fouten: hoe komt het toch dat ze onuitroeibaar zijn, terwijl ze zo eenvoudig zijn, vroeg aangeleerd worden in het onderwijs, en sterk gesanctioneerd worden in dat onderwijs én de samenleving? Het antwoord ligt in ons brein, en meer bepaald in ons geheugen: als je schrijft, heeft je werkgeheugen het extra moeilijk met homofone vormen (zoals word/wordt), en heeft het tijd nodig om de zin die je aan het schrijven bent grammaticaal te analyseren en zo de juiste keuze te maken. Als je niet zo getraind bent in die analyses, of je hebt gewoon geen tijd om er goed over na te denken, loop je een hoog risico op dt-fouten. Je kan dan immers twee dingen doen: ofwel gok je gewoon, ofwel kies je voor de frequentste vorm. Het mentale lexicon in je langetermijngeheugen slaat die frequenties immers op, en weet welke werkwoorden vaker voorkomen in de eerste persoon enkelvoud (bv. ik vermoed) en welke in de derde persoon enkelvoud (bv. hij wordt). Als je een zin schrijft waarin net de minder frequente vorm correct is, is de kans op fouten dus groter.

Sandra’s onderzoek wordt vaak gebruikt (of misbruikt, zo je wil) om dt-fouten te legitimeren: aan dt-fouten moet je niet zwaar tillen, want ze zijn onvermijdelijk en de schuld van ons geheugen. Alleen: je kan ook het omgekeerde beweren, en dat kan je evengoed met hetzelfde onderzoek staven. Je zou immers ook kunnen zeggen dat je aan dt-fouten wél zwaar moet blijven tillen: als je weet dat ze ontstaan omdat je werkgeheugen te klein is, moet je je teksten extra goed nalezen, zodat je werkgeheugen de kans krijgt om fouten te detecteren en te verbeteren. Sandra kiest zelf voor een compromishouding, die situatieafhankelijk is: de ernst van dt-fouten hangt volgens hem af van de schrijfsituatie (heb je veel tijd om na te lezen, of sta je onder tijdsdruk?) en het type speller (ben je professioneel met taal bezig of niet?). Dat een leerling tijdens een examen een dt-fout schrijft, is dan veel minder erg dan dat een leerkracht Nederlands er eentje op het bord schrijft tijdens de les.

Jan Uyttendaele presenteerde in zijn bijdrage een indrukwekkende lijst van vuistregels voor het spellingonderwijs. Dat spellingonderwijs houdt nu immers vaak te weinig rekening met de strategieën, zowel direct als indirect, die leerlingen inzetten bij het spellen van woorden: het heeft geen zin om leerlingen losse letters te laten invullen in gatenoefeningen, of om ze de regels van het Groene Boekje uit het hoofd te laten leren. Uyttendaele pleit voor regels die zo eenvoudig en ondubbelzinnig mogelijk zijn, voor zelfredzaamheid onder leerlingen (laat ze zélf dingen opzoeken) en voor het inductief afleiden van spellingregels uit concrete voorbeelden. Spellingonderwijs moet ook dringend uit z’n isolement treden: het moet een onderdeel worden van schrijfonderwijs, in plaats van spelling-om-de-spelling te (willen) zijn. En misschien nog het belangrijkste: klassikale spellinglessen hebben weinig tot geen zin. Leerkrachten moeten op maat van de leerling werken, zodat leerlingen enkel bezig hoeven te zijn met hun eigen werkpunten. Dat zal de spellingattitude alleen maar ten goede komen.

Hoe krijgt dat spellingonderwijs van de toekomst precies vorm? In het slotstuk van de studieavond lichtte Ewald Peters, uitgever bij De Boeck, alvast een tipje van de sluier. Hij demonstreerde in zijn bijdrage een elektronische en volledig interactieve oefenomgeving. Leerlingen krijgen er onder meer geluidsfragmenten te horen, die ze dan zelf correct moeten uitschrijven. Het programma markeert fout gespelde woorden, geeft tips om het wél goed te doen en verwijst naar de bijbehorende spellingregels. Op die manier kunnen leerlingen hun eigen (spelling)leerproces volledig in eigen handen nemen. Tegelijk hekelde Peters ook de soms erg vage eindtermen en leerplannen: voor handboekenmakers is het allesbehalve eenvoudig om uit te maken welke spellingthema’s er precies behandeld moeten worden, en waar precies aan moet worden gewerkt. De schrijvers van handboeken moeten zelf een eigen systeem uitwerken en knopen doorhakken, en dat komt de uniformiteit van het spellingonderwijs niet altijd ten goede. Zelf pleit Peters voor een ‘gelaagdheid’ in de spellingregels, door de leerjaren heen: de basisregels aanbrengen in de lagere jaren, om die dan steeds verder te verfijnen in de hogere jaren.

Een slotsom maken van deze studieavond is niet eenvoudig: met de spellingkennis van jongeren blijkt het over het algemeen wel mee te vallen, maar toch blijft rond die spellingkennis -en attitudes nog steeds een waas van negativisme en determinisme hangen. De wel érg hoge maatschappelijke gevoeligheid voor spelfouten (en met name dt-fouten) is ongetwijfeld een verklarende factor, en zorgt ervoor dat spelling een blijvende prominente rol heeft in het onderwijs. Dat we daarbij van een leerkrachtgestuurde naar een leerlinggestuurde aanpak moeten, staat buiten kijf, maar het is maar de vraag hoe eenvoudig de logge tanker der spellingonderwijs te keren valt.

Advertenties

9 gedachtes over “Studieavond ‘Spelling, hoe speel je dat?’: naar een vernieuw(en)d spellingonderwijs?

  1. Pingback: Studieavond ‘Spelling, hoe speel je dat?': naar een vernieuw(en)d spellingonderwijs? | Nederlands (en andere talen): hoe, wat, wanneer, waarom

  2. Dit is op The Sausage Machine herblogden reageerde:
    Spellingtenoren gemist … maar gelukkig ook niet dankzij het verslag van Steven Delarue. Toen ik de sprekerslijst op de uitnodiging van De Boeck overliep, was ik ‘direct verkocht’ zoals we dat in Antwerpen zeggen: spelling in theorie en praktijk door de allerbeste kenners, wie kon daar nee tegen zeggen!? Soit. Haast dagelijks volg ik met argusogen (een beroepsziekte? – of wat ik gewoon niet laten kan) hoe mn kleinkinderen leren lezen en schrijven in het basisonderwijs. Wonderlijk, die groeiende geletterdheid, een ‘holistisch’ gebeuren als je het mij zou vragen. Die groeiende woordenschat ook. Hun leeromgeving die zich ook tot wereldwijd buiten de school uitstrekt, is ongemeen rijk, dat moet ik hier niet meer vertellen. Dagelijks verwonder ik me over hun taalbeheersing en sociale vaardigheden. Bewonder ik ook hun ‘meesters’ op school, juffen tot nu toe. Hoe ze deuren openen en bewust “leren leven in taal”.

    Wat een leerzame ervaring dat ik met hen mee kan oefenen in schrijven, spellen, grotendeels nog met de hand. En even leerzaam en belangrijk is het verslag dat volgt met de stand van zaken op spellinggebied. Kwestie van activering van voorkennis en updating. Merci!

  3. Pingback: Studieavond 23 april 2015 – ‘Spelling, hoe speel je dat?’ |

  4. Pingback: Over de symbolische waarde van spelling | Steven Delarue

  5. Pingback: Strijden tegen taalverloedering – een reactie op Leo Neels | Steven Delarue

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s