10 cruciale inzichten over meertaligheid en taalverwerving

Ik weet het, het is al een hele tijd geleden dat er nog eens iets op deze blog is verschenen. Hoe komt dat? Niet dat ik de liefde voor het (blog)schrijven ergens onderweg kwijt ben geraakt – verre van, eigenlijk. Het is alleen zo dat ik de laatste tijd vooral professioneel aan het schrijven ben geweest, en de vruchten daarvan zijn in de laatste weken en maanden ook allemaal verschenen. Op 21 februari, de Internationale Dag van de Moedertaal (of de Thuistaal, zoals we het hier vaak vertalen), verscheen de geüpdatete versie van www.meertaligheid.be, een portaalsite voor iedereen die laagdrempelige en wetenschappelijk onderbouwde informatie zoekt over meertaligheid, met name in het onderwijs. Een dikke maand later kwam dan weer het boek Cultuur in onderwijs – een krachtige onderstroom uit bij Acco, waarin ik samen met twee collega’s van Onderwijscentrum Gent schrijf over de krachtige rol die cultuurprojecten en -trajecten kunnen spelen in, voor en met het onderwijs. En meteen na de paasvakantie is er ook nummer 6 van Fons, het tijdschrift voor didactiek Nederlands waar ik intussen al 2,5 jaar mijn schouders mee onder zet. Het wordt een themanummer over krachtig leesonderwijs, naar aanleiding van de resultaten van het PIRLS-onderzoek, waar een tijdje terug een stevige hetze rond ontstond.

Soit, veel geschreven dus, en om deze blog toch een béétje levend te houden, wil ik hierbij graag met jullie de bijdrage delen die ik voor dat nieuwe Fons-nummer heb geschreven over de vernieuwde meertaligheid.be. Voor onze rubriek De 10 – jep, we hebben ook lijstjesrubrieken! – somde ik tien belangrijke inzichten op over meertaligheid en taalverwerving. Het blijft me immers opvallen hoe weinig de gemiddelde leerkracht soms weet over die thema’s, en daar hopen we verandering in te kunnen brengen. Een krachtig taalbeleid en dito ondersteuning voor meertalige leerlingen realiseren, dat begint immers bij een goed geïnformeerd schoolteam.

**

10 cruciale inzichten over meertaligheid en taalverwerving

Jaarlijks vindt op 21 februari de Dag van de Thuistaal plaats, die de voordelen van meertaligheid extra in de kijker zet. Ter gelegenheid daarvan werd dit jaar op die dag de vernieuwde portaalsite www.meertaligheid.be gelanceerd. Leerkrachten en andere geïnteresseerden vinden er nuttige achtergrondinformatie, handige materialen en concrete tips terug, gebaseerd op recente wetenschappelijke studies en inzichten. Omgaan met meertaligheid blijft immers, ook in deze superdiverse samenleving, vaak nog voor onzekerheid en vragen zorgen. In deze editie van ‘De 10’ willen we alvast 10 belangrijke inzichten delen over meertaligheid en taalverwerving. Wil je nog meer weten? Ga dan zeker eens een kijkje nemen op de website en laat je informeren én inspireren!

1. Iedereen is meertalig. Sprekers gebruiken en ontwikkelen talen volgens de contexten waarin ze terechtkomen, de kansen die ze krijgen of de situaties die ze meemaken. Dat betekent dat iedereen eigenlijk meertalig is, want iedereen komt in diverse contexten terecht en heeft dus nood aan verschillende talen of taalvariëteiten om zich te kunnen uitdrukken. Meertaligheid gaat dan niet alleen over talen als Nederlands, Arabisch of Engels, maar ook over dialecten, chattaal, lichaamstaal of gebarentaal. Zo ontwikkelt elk individu een persoonlijk taalrepertoire.

2. Talen zijn intrinsiek evenwaardig. Nochtans zien we vaak dat niet alle talen dezelfde status krijgen. Zo wordt de heel specifieke schooltaal die op school aan bod komt vaak hoger gewaardeerd dan het alledaagse taalgebruik thuis. Ook krijgen West-Europese talen zoals Frans, Engels of Duits vaak een hogere status toegekend dan talen als Arabisch, Turks of Farsi. Onterecht, want taalkundigen zijn het erover eens dat alle variëteiten van een taal en alle talen gelijkwaardig zijn. Geen enkele variëteit of taal is intrinsiek rijker, beter of mooier dan de andere.

3. Het aantal kinderen dat niet het Nederlands als moedertaal heeft, neemt toe. Van alle kinderen die in 2016 in Vlaanderen geboren werden, heeft ongeveer een kwart niet het Nederlands als moedertaal. Het valt te verwachten dat dat cijfer de komende jaren alleen maar verder zal stijgen. Dat kinderen thuis niet het Nederlands als moedertaal hebben, betekent overigens niet dat ze thuis nooit Nederlands gebruiken of te horen krijgen: uit recent onderzoek blijkt dat kinderen vaak wél Nederlands spreken met hun broers of zussen en ook via televisieprogramma’s, boeken of vriendjes komt het Nederlands de huiskamer binnen.

4. Een sterke moedertaal is cruciaal. Als kinderen tweetalig opgroeien, zit de moedertaal het leren van het Nederlands dan niet in de weg? Vaak wordt gedacht van wel, zodat veel meertalige ouders de goedbedoelde raad krijgen om zoveel mogelijk het Nederlands te gebruiken, zelfs al kennen ze maar een aantal woorden. Het ijsbergmodel van Jim Cummins laat echter het tegendeel zien: wie meertalig is, slaat alle kennis over die talen op in een centraal kennisreservoir, dat de basis is van elke taal die je kent en spreekt. Dat gemeenschappelijke reservoir zorgt ervoor dat je bij het aanleren van een tweede taal verder bouwt op de fundamenten van de eerste taal. Met andere woorden: een sterke thuistaal zorgt ook voor een sterk(er) Nederlands, en hoeft zeker niet geband te worden uit de klas of de huiskamer.

5. Taalverwerving is een grillig en individueel proces. De ene taalleerder is de andere niet en taalverwerving volgt allerminst een vast parcours. Simultane taalverwerving, waarbij je meerdere talen tegelijk verwerft, loopt anders dan successieve taalverwerving, waarbij de ene taal verworven wordt na de andere. Het ene kind gaat door een lange ‘stille periode’, waarbij het een hele tijd niets zegt en enkel taal opneemt, terwijl het andere kind erg snel zelf taal begint te produceren. Sowieso vereist taalverwerving veel interactie en kwaliteitsvolle input, maar kinderen mogen niet geforceerd worden om taal te produceren.

6. Schoolse taalvaardigheid verwerven kan 5 tot 8 jaar duren. Tijd en ruimte geven is van cruciaal belang bij het verwerven van een taal, of het nu een eerste, een tweede of een derde is. Vaak wordt van kinderen verwacht dat ze zo snel mogelijk taal beginnen te produceren, maar zeker voor de abstracte, wetenschappelijke schooltaal kan dat wel even duren. Wiskundige begrippen staan bijvoorbeeld immers wel érg ver af van de huis-, tuin- en keukenwoordenschat die thuis gehanteerd wordt, waardoor er niet enkel een nieuwe taal verworven moet worden, maar ook een volledig nieuw begrippenarsenaal – en dat kan maar liefst 5 tot 8 jaar duren.

7. Talen vermengen is perfect normaal bij meertalige sprekers. Wie meertalig is, mengt vaak talen door elkaar, tot wanhoop van leerkrachten en begeleiders. Dat mengen van talen wordt immers vaak beschouwd als een gebrek aan controle. Nochtans gaat het om zeer logische en normale processen van transfer en codewisseling, die zeker niet tot frustratie of onzekerheid hoeven te leiden. Maar hoe komt het eigenlijk dat talen zo vermengd worden? De redenen zijn divers: omdat je sommige zaken gewoon beter kunt onthouden in de ene dan in de andere taal, omdat je een woord niet (meer) weet in de ene taal, om na te vertellen wat een vriend of juf zei, om nadruk te leggen op je meertalige identiteit, enzovoort. Als leerkracht of begeleider is het van belang om er zelf op te letten de talen goed van elkaar te onderscheiden: zo ondersteun je het kind om dat ook te gaan doen.

8. De thuistaal een plaats geven op school verhoogt het welbevinden (en kan ook functioneel zijn in de klas). Tussen 2008 en 2012 liep in Gent het zogenaamde Thuistaalproject. Daarbij werden in een aantal Gentse scholen proeftuinen opgezet, waar de thuistaal van meertalige kinderen een formele plaats kreeg. En wat bleek? Bij de leerlingen die hun thuistaal konden gebruiken op school, nam het zelfvertrouwen toe, zonder dat hun taalniveau in het Nederlands eronder leed. Bovendien kan de thuistaal ook een steiger zijn tot leren in de klas: dat alle talige concepten en kennis verzameld worden in een centraal kennisreservoir, zoals het eerder vermelde ijsbergmodel liet zien, betekent dat het een voordeel is als je concepten en kennis al verworven hebt in de taal die je het beste beheerst, je thuistaal dus. Je hoeft dan in je tweede of derde taal immers alleen nog maar de juiste etiketten op die concepten te leren plakken. Zo win je dus tijd. In het Thuistaalproject werd bij kinderen die het Turks als moedertaal hebben bijvoorbeeld een positief verband vastgesteld tussen de taalvaardigheid in het Turks en die in het Nederlands.

9. Je hoeft als leerkracht niet alle talen van je leerlingen te spreken om de thuistaal actief te benutten in de klas. Als je voor een groep leerlingen staat en ze spreken onderling talen die je niet kent, dan kun je het gevoel krijgen dat je niet langer controle hebt over wat er in de klas gebeurt. Dat gevoel is perfect normaal, maar mag geen reden zijn om de thuistaal te bannen uit je klas. Er zijn immers manieren om aan dat gevoel van controleverlies tegemoet te komen: door in te pikken op de conversatie en te vragen waar het gesprek over gaat, neem je zelf opnieuw de controle over wat er gebeurt en toon je als leerkracht meteen ook interesse. De terugkoppeling kan dan in het Nederlands, waardoor deze momenten meteen ook leerkansen worden. Duidelijke taalafspraken ondersteunen deze manier van werken. Zo krijgen kinderen zelf controle over hun taalgedrag.

10. Meer Nederlands betekent niet per se beter Nederlands. Leerkrachten gaan er vaak van uit dat de school de enige plaats is waar leerlingen in contact komen met het Nederlands. Ze willen de tijd op school dan ook ten volle benutten om de kinderen onder te dompelen in het Nederlands, waarbij alle tijd die besteed wordt aan andere talen als ‘verspilde’ tijd wordt beschouwd. Dat tijdsargument wordt echter niet ondersteund door onderzoek, waar de nadruk veeleer ligt op kwaliteitsvolle interactie en talige input, in plaats van op de hoeveelheid taal die wordt aangeboden. Kwaliteit boven kwantiteit dus. Bovendien gaat de ‘meer-is-beter’-argumentatie voorbij aan het ijsbergmodel dat hierboven al aan bod kwam, waaruit blijkt dat ook de (talige) kennis uit je thuistaal kan helpen om je vaardigheden in het Nederlands te versterken.

Over meertaligheid.be

De website www.meertaligheid.be werd in oorspronkelijk ontwikkeld door het Steunpunt Diversiteit en Leren, verbonden aan de Universiteit Gent. Die eerste versie ging in 2011 online. In het najaar van 2017 kreeg de website een grondige opfrisbeurt door Onderwijscentrum Gent, in nauwe samenspraak met een aantal toonaangevende partners op het vlak van onderzoek en ondersteuning rond meertaligheid in Vlaanderen: Steunpunt Diversiteit en Leren (UGent), Centrum voor Taal en Onderwijs (KU Leuven), Agentschap Integratie en Inburgering, Atlas en Foyer.

Dit artikel verschijnt in het zesde nummer van ‘Fons’ (april 2018). Je kunt de bijdrage hier ook downloaden.

Advertenties

Een gedachte over “10 cruciale inzichten over meertaligheid en taalverwerving

  1. Personen en in het bijzonder kinderen die (blijvend) belanden in een taalgemeenschap waarvan de taal verschillend is van hun ‘moedertaal’ (een andere gemeenschapstaal) staan uiteraard altijd op de drempel van (noodgedwongen, gewenste of wenselijke) ‘meertaligheid’ en enkel daarover gaat het hier blijkbaar. Streekvarianten van een bepaalde gemeenschapstaal, gebarentalen, lichaamstalen, kindertalen, straattalen en alle andere denkbare soorten individuele of zuiver sociologisch groepsgebonden expressiemiddelen kunnen mijns inziens niet als aparte ‘talen’ worden gezien en gerekend zonder het begrip taal fundamenteel uit te hollen. Persoonlijk ben ik door bepaalde levensomstandigheden vertrouwd geraakt met minsten 6 streekklankvarianten van het (Vlaams) Nederlands naast uiteraard de in het onderwijs verworven kennis van het standaard Nederlands waarvan het grote en belangrijke nut is dat ik hiermee – wanneer nodig of wenselijk – in één klap alle andere (uiteraard enkel gesproken) streekklankvarianten kan overbruggen en overstijgen. Maar kan ik mij daarom minstens ‘zeventalig’ of zevenvoudig ‘meertalig’ noemen? Dat heeft dus geen enkele zin en geen enkele meerwaarde, wat sommige taalkundigen daarover ook mogen denken of menen.
    Vooralsnog is een grote meerderheid van de bevolking in Vlaanderen prominent ééntalig (en dus absoluut niet ‘meertalig’) en heeft slechts één ‘moedertaal’, nl. de gemeenschappelijke taal van de gemeenschap waarin ze als kind zijn opgegroeid en permanent leven m.b.t. alle basisaspecten van het leven in gemeenschap, zonder beland te zijn dan wel te willen of te moeten belanden in een andere taalgemeenschap met een fundamenteel andere taal, in de betekenis die het begrip taal fundamenteel heeft en altijd al gehad heeft en ook zal blijven hebben. In welke zin moet bovenstaand dubbelzinnig pleidooi voor ‘meertaligheid’ – mijns inziens hier ook ten onrechte en ongegrond voorgesteld als een ‘fluitje van een cent’ in ieders bereik – ten aanzien en in het belang van deze grote groep kinderen en volwassenen dan worden gezien en geplaatst? Welk signaal en welke boodschap wordt hier precies gegeven, wie of welke groep wordt precies beoogd, in wiens (sociologisch) belang en met welk (sociologisch gemeenschappelijk) doel?

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s