Wetenschapspopularisering: het kind van de rekening

In het recentste nummer van het populariserende taalblad Over taal staat een scherp stuk van hoofdredacteur (en collega) Filip Devos, waarin hij van leer trekt tegen de stiefmoederlijke omgang met wetenschapspopularisering. Wie aan een universiteit werkt, wordt bijna uitsluitend beoordeeld op het aantal wetenschappelijke publicaties in zo hoog mogelijk gerankte tijdschriften (met de A1-tijdschriften als heilige graal), terwijl er neergekeken wordt op tijdschriften die lager gerankt zijn. Over taal is er daar een van, en zit aan de UGent weggestopt in ramsjcategorie A4.

De timing van Devos’ stuk is wellicht niet toevallig: het Gezaghebbend Panel van het Vlaams Academisch Bibliografisch Bestand voor de Sociale en Humane Wetenschappen (het GP van het VABB-SHW, voor de afkortingenaficionado’s) heeft onlangs beslist dat Over taal geen plaats heeft in de VABB-tijdschriftenlijst wegens te “vulgariserend of praktijkgericht”, in plaats van “academisch-wetenschappelijk”. Ongehoord, vindt Devos, aangezien universiteiten drie kerntaken hebben: onderwijs, wetenschappelijk onderzoek en maatschappelijke dienstverlening. Het belang dat aan onderzoek gehecht wordt, ook (en vooral) in de berekening van hoeveel budget een universiteit jaarlijks krijgt toegemeten, rijst stilaan de pan uit. Als assistent heb ik taken op zowel onderwijs-, onderzoeks- als dienstverleningsvlak, maar er wordt van mij vooral verwacht dat ik zo veel mogelijk Engelstalige A1-publicaties aflever, niet dat ik artikels voor Over taal schrijf, en nog minder dat ik met deze blogposts probeer om mijn onderzoek tot bij een groter publiek te krijgen.

Nochtans: moet het daar eigenlijk niet om gaan als je aan wetenschappelijk onderzoek doet? Nadenken over het maatschappelijke belang van waar je als onderzoeker mee bezig bent (en voor betaald wordt), en proberen om met zo veel mogelijk geïnteresseerden, binnen en buiten de academische wereld, je resultaten te delen en discussies te voeren? Mijn blog/website heeft al veel meer lezers bereikt dan al mijn Engelstalige wetenschappelijke artikels (die wél netjes in de VABB-lijst zijn opgenomen) ooit zullen kunnen, en dat ene populariserende artikel dat ik een paar jaar terug in Over taal heb gepubliceerd, is met voorsprong het meest gelezen artikel van mijn hand. Dergelijke vormen van ‘maatschappelijke dienstverlening’ zijn op papier deel van mijn taak als assistent, maar worden in de praktijk schromelijk ondergewaardeerd.

Het is echter net door die vormen van dienstverlening (waaronder ik trouwens ook ons onderwijs reken) dat “de maatschappij” en “de wetenschap” (weer) dichter bij elkaar kunnen en moeten worden gebracht. Veel onderzoeksprojecten worden opgestart en na een aantal jaar weer stopgezet, zonder enige vorm van maatschappelijke valorisatie: de resultaten worden netjes gepubliceerd in het vereiste aantal (A1-)tijdschriften, maar worden nooit aan het grote publiek gepresenteerd (gepopulariseerd, om het met een vies woord te zeggen). De resultaten van wetenschappelijk onderzoek stromen ook te weinig door naar het onderwijs. Collega Johan De Schryver (KU Leuven, campus Brussel) onderzocht samen met een aantal van zijn masterstudenten hoe in handboeken Nederlands voor het Vlaamse secundair onderwijs wordt omgegaan met taalnormen, standaardtaal en taalvariatie, en kwam onder meer tot de conclusie dat “de leerlingen (…) geen beeld [krijgen] van het wetenschappelijk onderzoek. Ze krijgen enkel een aantal meningen voorgeschoteld, geen feitenmateriaal. Taaldeskundigen hebben nauwelijks een stem in de schoolboeken.” (p. 100). Dat is bijzonder spijtig, want zeker in de hogere jaren van het middelbaar onderwijs moeten leerlingen kennismaken met wat wetenschappelijk (taal)onderzoek inhoudt, en bijdragen in populariserende tijdschriften (zoals Over taal of Onze taal) zijn daar perfect voor. Alleen: hoe krijg je academici zo ver om die bijdragen te schrijven, als die stukken niet de waardering krijgen die ze verdienen?

Het stuk van Filip Devos vind je hieronder. Meer informatie over het tijdschrift ‘Over taal’ is te vinden op de website

De lippendienst rond populariseren in Vlaanderen (uit Over taal 54(2), maart-april 2015)

Medewerkers van universiteiten worden vandaag vooral beoordeeld op hun wetenschappelijke publicaties, en
publicaties in populariserende tijdschriften, zoals Over taal, worden niet tot de wetenschappelijke output gerekend. Althans niet door het ‘GP’, het ‘Gezaghebbende Panel’, dat als taak heeft ‘een Vlaams Academisch Bibliografisch Bestand voor de Sociale en Humane Wetenschappen (VABB-SHW) samen te stellen […]. Het VABB-SHW draagt bij tot de verdeling van onderzoeksmiddelen tussen de Vlaamse universiteiten’.

Onlangs heeft dat GP (what’s in a name? (1)) beslist dat Over taal niet in de VABB-lijst opgenomen wordt, ‘daar [het] een vulgariserende of praktijkgerichte focus [heeft], eerder dan een academisch-wetenschappelijke’ (2). Maar daar is het me in wezen niet om te doen. Aan de Universiteit Gent is Over taal een A4-tijdschrift, wat betekent dat het een nationaal tijdschrift zonder ‘peer review’ is. Het enige wat A4 is aan dit tijdschrift, is echter het formaat. Er is namelijk wel peer review, het wordt internationaal verspreid, de redactie bestaat uit academici, net zoals het gros van de bijdragen door academici geschreven is … Aan de KU Leuven heeft Over taal dan weer de status ‘AT’ (‘academisch tijdschrift’) en aan de Universiteit Antwerpen ten slotte valt Over taal in de categorie A2. Op zich allemaal geen probleem; ik kijk met enig leedvermaak naar die A4, AT en A2. Maar daar is het me verder allemaal niet om te doen. Het gaat me wel om twee andere zaken.

Koud en warm

‘Universiteiten en hogescholen heten een drieledige opdracht te hebben: onderwijs verstrekken, aan wetenschappelijk onderzoek doen en maatschappelijke dienstverlening. Op die driesprong zit ook Over taal tegenwoordig.’ Dat schreef ik naar aanleiding van het 50-jarige bestaan van Over taal in december 2011. Voor die viering kregen we van de overheid, bij monde van Jan Peumans, voorzitter van het Vlaams Parlement, geen steun: de vraag naar een kleine subsidiëring van de viering, of een locatie, werd afgewimpeld. Meer nog: het tijdschrift mocht plots niet langer verschijnen met de melding ‘onder de hoge bescherming van het Vlaams Parlement’, zoals dat sinds 1997 het geval was. Ook een subsidieaanvraag in 2014 bij de Vlaamse overheid, Kunsten en Erfgoed, kreeg een nul, hoewel minister Schauvlieghe het er met ons, in een persoonlijk onderhoud in juni 2012, over eens was dat taal misschien wel ‘ons belangrijkste cultureel erfgoed’ is. Een populariserend taalblad blijkt voor de Vlaamse overheid dus niet nodig, hoewel ze universiteiten en hogescholen wel oplegt ook aan ‘maatschappelijke dienstverlening’ te doen. Anderzijds staat wetenschapspopularisering wel specifiek op de agenda van de Koninklijke Vlaamse Academie van België: ‘Al wordt wetenschapscommunicatie
al op tal van manieren gefaciliteerd, structurele honorering ontbreekt vooralsnog.’ Dat lijkt allemaal wat koud en warm blazen, maar er is meer aan de hand.

De taal

Over taal zet zich in voor de popularisering van het onderzoek naar (de moeder)taal, maar ook ín de moedertaal. Het belang daarvan – ik denk maar aan het onderwijs – dringt blijkbaar nog altijd niet door
waar het zou moeten. Enkele recente citaten laten het belang van het Nederlands als wetenschapstaal zien.
Willy Martin, emeritus hoogleraar lexicologie en voorzitter van NL-Term, schrijft bijvoorbeeld3: ‘NL-Term is ervan overtuigd dat wetenschappelijk onderwijs en wetenschappelijke publicaties in het Nederlands belangrijk blijven’. En Cor van Bree, emeritus hoogleraar Nederlands aan de Rijksuniversiteit Leiden, noemt ‘stimulering van het Nederlands als taal van wetenschap’ een belangrijk praktisch actiepunt (3): ‘Een onderzoeker mag een substantieel deel van zijn onderzoek in de eigen taal publiceren; het kan ook een illusie zijn dat de hele wereld op onze Engelse publicaties zit te wachten. Bij voorkeur schrijft hij/zij in het Nederlands ook van tijd tot tijd voor een breder publiek. Het laatste zou sterk gestimuleerd moeten worden. Dus geef er extra punten voor.’ En zo is de cirkel rond. Wat is de waarde van Over taal, en hoeveel punten krijg je aan sommige universiteiten voor een bijdrage in dit tijdschrift? (4) Door dit alles blijft het moeilijk om wetenschappers te motiveren om bijdragen te schrijven voor een populariserend tijdschrift, waardoor het brede publiek dus uiteindelijk ook minder goed geïnformeerd zal worden over wat er leeft in de academische wereld.

Noten
(1) Zie De Wethouder, Bobotaal. Over gebakken lucht en hoe je ermee wegkomt. Amsterdam: Ambo/
Anthos, 2014.
(2) Van Dale omschrijft vulgariseren als: ‘onder het volk brengen, gemeengoed maken, m.n. van kennis
gezegd, syn. populariseren (het is niet juist ‘vulgariseren’ ongunstig te onderscheiden van ‘populariseren’;
het betekent niet: ‘vulgair maken’)’.
(3) Zie verder in dit nummer.
(4) ‘What cannot be measured is ignored.’ (Carne Ross, The Leaderless Revolution: How Ordinary People Will Take Power and Change Politics in the 21st Century. Cammeray: Simon & Schuster)

Filip Devos is docent Nederlands aan de Universiteit Gent en hoofdredacteur van Over taal. Hij schreef deze bijdrage op persoonlijke titel.

Advertenties

10 gedachtes over “Wetenschapspopularisering: het kind van de rekening

  1. Ik weet niet of het een oplossing is om ‘Over taal’ een hogere wetenschappelijke status te geven. Dat zou je dan ook voor weblogs moeten doen, en dat lijkt me onbegonnen werk. Het lijkt mij eigenlijk beter om een aparte categorie activiteiten te maken – populariseren – en die op één lijn te stellen met publicatie in wetenschappelijke tijdschriften, of het geven van onderwijs.

    Overigens lijken mij onderzoekers die alleen maar dingen doen die punten opleveren geen knip voor de neus waard. Met name van gevestigde onderzoekers zou je toch mogen verwachten dat ze dingen doen omdat ze belangrijk zijn en niet omdat ze punten opleveren.

    • Daar heb je volgens mij volledig gelijk in: je gaat het probleem niet oplossen door plompweg alle populariserende tijdschriften in een hogere categorie te stoppen. Ik vind wél dat maatschappelijke dienstverlening een sterker criterium moet zijn bij de evaluatie van personeelsleden, en bij het toekennen van financiering – bijvoorbeeld door bepaalde doelstellingen te formuleren. Dat gebeurt nu al tot op zekere hoogte (bv. bij de ‘persoonlijke doelstellingen’ die hier aan docenten worden opgelegd), maar er wordt nog te makkelijk aan voorbijgegaan als het aantal wetenschappelijke (A1-)publicaties hoog genoeg ligt en de studentenevaluaties van het onderwijs aanvaardbare scores opleveren. Dienstverlening als een aparte categorie naast publicaties en onderwijs lijkt me dan ook zeker een goed idee, en ik zie het ook in die richting evolueren. Het moet gewoon een stuk(je) dwingender, volgens mij.

      En wat dat tweede betreft: tja, daar heb je vast gelijk in, maar een tijdje geleden heb je je er op Neder-L zelf nog over beklaagd dat er zo weinig populariserende weblogs en stukken over taal (om maar in ons vakgebied te blijven) verschijnen, dus blijkbaar loopt het daar vaak nog mis. Een iets ‘dwingender’ kader creëren kan daar iets aan veranderen – en ik kan maar hopen dat het na verloop van tijd meer ‘van willen’ dan ‘van moeten’ wordt.

      • Het lijkt mij moeilijk om populariserend werk af te dwingen. Zulk werk moet vooral enthousiasme uitstralen; ongeïnspireerde popularisatie omdat het nu eenmaal moet voor de punten werkt denk ik meestal contraproductief.

        Mij lijkt het ’t beste als onderzoek op het niveau van groepen wordt geëvalueerd: niet iedere individuele onderzoeker hoeft alles te kunnen of te doen, maar de een kan goed onderzoeksgeld binnenhalen, de ander leuke stukken schrijven in de krant, en de derde de formulieren invullen die het management over de groep doet dwarrelen. Het gaat er dan om dat een onderzoeksgroep zich breed inzet; hoe die groep dat intern precies regelt, moet hij zelf bepalen.

  2. Pingback: Wetenschap en popularisering: een realistisch huwelijk? | Nederlands (en andere talen): hoe, wat, wanneer, waarom

  3. Pingback: Livius Nieuwsbrief | Mei | Mainzer Beobachter

  4. Pingback: Aantekeningen bij de Bijbel · Livius Nieuwsbrief – Mei

  5. Pingback: “Waarom wordt wetenschapspopularisering zo karig beloond?” | Steven Delarue

  6. Pingback: Petitie: geef wetenschapspopularisering meer aandacht! | Steven Delarue

  7. Pingback: Meer taalkunde in de klas: waarom en hoe? | Steven Delarue

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s