Het stormt eens te meer in ons onderwijs. Of eerder: in het maatschappelijke debat over onderwijs. De leraren zelf zitten immers, samen met hun leerlingen, in volle examenmodus en focussen zich vooral op die belangrijke eindsprint richting de kerstvakantie. Geen ‘uitbolweek’, zoveel is zeker.
Maar intussen waait en hagelt het dus buiten: na de dalende curves van PISA en PIRLS, kregen we nu ook de weinig bemoedigende resultaten van TIMMS over ons heen, waarbij leerlingen van het vierde leerjaar getest worden op hun kennis van wiskunde en wetenschappen, en waren ook de maandag nog voorgestelde uitkomsten van de PIAAC-studie niet meteen een reden tot feestvieren, aangezien de kloof tussen mensen die hoog- en laaggeletterd en -gecijferd zijn blijkt toe te nemen. Van kleuters tot volwassenen: blijkbaar gaat het met de (taal)kennis en vaardigheden die we opbouwen niet de goeie kant op.
Die analyse is verre van nieuw, en de remedies die als reactie naar voren worden geschoven evenmin. Van lees- en taaloffensieven over Koala-testen en Vlaamse toetsen tot taalintegratietrajecten en financiële bestraffingen voor ouders “die niet bereid zijn het Nederlands te leren”: de leuze ‘Nederlands, Nederlands, Nederlands’ als enige school- en instructietaal zit diep verankerd in de onderwijsvisie van de nieuwe Vlaamse regering.
Alleen: dat was voordien nu eigenlijk ook niet zó anders. In de beleidsnota’s van de vorige ministers van Onderwijs ging het evengoed zeer nadrukkelijk over het belang van het Nederlands, en ten tijde van Frank Vandenbroucke en Pascal Smet kregen we zelfs nog specifieke ‘talenbeleidsnota’s’ op ons bord, die specifiek op het belang van (standaard)taal voor onderwijs ingingen. Weinig nieuws onder de zon dus.
Wat wél nieuw is, is de extreme verharding en polarisering die in de discussies over ons onderwijs is geslopen. Die debatten zijn – in alle eerlijkheid – wellicht nooit zeer liefdevol verlopen, maar de loopgraven zijn de laatste jaren in hoog tempo uitgediept. De zoveelste internationale studie met een dalende curve doet de emmer dan al vlug overlopen: in een brandbrief van Dirk Van Damme, die naar eigen zeggen “de scherpe woorden niet meer schuwt” en een lange oplijsting meegeeft van alles wat in ons onderwijs op de schop moet, in een opiniestuk van Philip Brinckman van de commissie Beter Onderwijs, die Van Dammes lijstje netjes herverpakt en er wat anekdotes-uit-eigen-school overheen gooit om de “vergiftiging van ons onderwijs” vast te stellen, in royaltywatchers die op nationale tv menen het hele kleuteronderwijs even de mantel uit te moeten vegen (en toegegeven, nadien vrij snel tot inkeer komen, maar het kwaad is intussen wel geschied).
Gooi die dwingende focus op het Nederlands en de polarisering in onderwijsdebatten samen, en je krijgt als vanzelf een hernieuwde aanval op het gebruik van thuis- en moedertalen in ons onderwijs. Nochtans toont onderzoek, in binnen- en buitenland, steeds opnieuw aan dat positieve aandacht voor meertaligheid op school en in de klas een sterke impact kan hebben op het (taal)leerproces, de identiteitsontwikkeling en het welbevinden van leerlingen. Bovendien liet het Thuistaalproject bij ons in Gent, ook al ruim tien jaar geleden intussen, zien dat het benutten van thuis- en moedertalen in de klas ook zorgt voor meer interactie en een toegenomen bekwaamheidsgevoel (self-efficacy) bij leraren.
Toch zetten Van Damme, Brinckman en co ook deze week weer de aanval in op de “ideologisering van de ‘meertaligheid’” (Brinckman) en het “nefaste taalbeleid” (Van Damme) waarin dat gekaderd wordt. Dat verwijt van ideologisering en de vaststelling dat dat een negatieve impact zou hebben op de rol en de kennis van het Nederlands zijn niet nieuw, maar blijven me verbazen.
Meertaligheid inzetten in de klas is immers geen ideologische keuze. In ons werk met leraren en schoolteams in Gentse scholen benadrukken we net dat zicht krijgen op de talige diversiteit in je klas en daar als leraar slim gebruik van maken eigenlijk gewoon common sense is: het is een inherent onderdeel van krachtig (taal)onderwijs, en de leraar is de professional die het best kan inschatten welke plek die thuis- en moedertalen kunnen krijgen in de les.
In het thema ‘ruimte’ samen de woorden voor ‘raket’ en ‘astronaut’ opzoeken in de verschillende thuistalen van de klas, informatie bij elkaar zoeken in je thuistaal voor een presentatie over zonne-energie (die uiteraard in het Nederlands gebeurt), samen tot 10 leren tellen in het Farsi, vergelijken hoe de zinsvolgorde er in het Nederlands, Bulgaars, Frans en Turks uitziet en daar conclusies uit trekken: het zijn allemaal voorbeelden die ik de afgelopen tijd in Gentse scholen heb gezien, van de kleuterklas tot het NT2-onderwijs aan volwassenen. Die lessen werden niet gegeven door leraren die daarmee Grote Ideologische Keuzes meenden te maken, maar door mensen die het volle potentieel van hun leerlingen en cursisten zagen, en daar actief op wilden inspelen. Mét succes overigens.
Alleen: dat gebeurt momenteel nog veel te weinig. Hoe dat komt, daar is het antwoord voor elke leraar wellicht anders op. Uit handelingsverlegenheid, uit weerstand, uit de vrees dat dat eigenlijk allemaal niet mag – je zou voor minder als je je minister alleen maar ‘Nederlands, Nederlands, Nederlands’ hoort zeggen. We moeten leraren steeds opnieuw laten zien dat het wél mag, dat het wél kan. Onze gloednieuwe Videoroute Meertaligheid, waarin Vlaamse en Nederlandse leraren laten zien hoe zij het in hun klas aanpakken (en waarom), is daar trouwens een perfect instrument voor, wars van enige ideologisering.
Maar hoe kan iets dat eigenlijk nog zo weinig gebeurt, waar leraren nog de aanmoediging en de handvatten voor missen om dat structureel en doorgedreven te doen, dan opeens de oorzaak zijn van onze dalende onderwijskwaliteit? Dat begrijp ik oprecht niet. Inzetten op meertaligheid is geen bedreiging voor ons taalonderwijs, maar net een van de sleutels om de kwaliteit ervan aan te zwengelen. Misschien schuilt het echte taaloffensief wel in het aanpassen van die perceptie, zodat we ook echt samen werk kunnen maken van sterker en beter Nederlands – op een inclusieve manier.
[like] De Smet Chantal reacted to your message:
Ik zou graag enige nuancering brengen bij de verwijzing naar Frank Vandenbroucke en zijn talenbeleidsnota (‘De lat hoog voor talen in iedere school’) uit 2007.
Ten eerste, die nota wees uitdrukkelijk op het fenomeen ‘schooltaal’, wat onderscheiden is van het algemene taalgebruik. De meeste kinderen , ook die thuis Nederlands spreken, brengen geen schooltaal van thuis mee, want dat ‘academische’ taalgebruik hangt op een heel specifieke wijze met leren en onderwijzen van de verschillende schoolvakken. Zowel autochtone als allochtone kinderen zijn niet vanzelf vaardig in die schooltaal. Daarom zijn er na 2007 tal van nascholingen over schooltaalontwikkeling voor leraren in alle vakken georganiseerd, bijvoorbeeld door het Antwerpse CNO (Centrum Nascholing Onderwijs, UA). Uitspraken van politici of onderwijsexperts (zoals Dirk Van Damme) lijken niet te beseffen dat focus op Nederlands focus op die ‘academische’ schooltaal zou moeten zijn, en dat kennis van alledaags Nederlands absoluut niet volstaat. Het is onbegrijpelijk dat zij de didactische literatuur in dit verband blijkbaar niet kennen.
En ten tweede, de talenbeleidsnota deed helemaal geen uitspraken over de vraag of thuistalen een rol kunnen spelen in het onderwijs. We kunnen dat jammer vinden. Maar we mogen er niet uit afleiden dat thuistalen geen rol zouden mogen spelen.
Frans Daems, UA
Steven, dat klinkt allemaal erg sympathiek, maar waar is het empirische bewijs dat de hier voorgestelde aanpak ook reëel positieve effecten heeft op de taalvaardigheid van het Nederlands (en evt. ook van de thuistaal)? U spreekt uitsluitend over meer interactie en toegenomen bekwaamheidsgevoel bij leerkrachten. Dat geloof ik graag, maar dat zegt niets over de taalvaardigheid bij de leerlingen. Ik vermoed dat die effecten er niet zijn, anders had je er ongetwijfeld naar verwezen. Ik ken de internationale studies hierover zeer goed, en ik zie daar ook geen duidelijke bewijzen voor. Integendeel, de internationale literatuur laat een heel ander plaatje zien dan wat u hier suggereert.