Tussentaalkronkels

Morgen ben ik precies een maand aan de slag binnen het Onderwijscentrum Gent, als deel van het team Onderwijsontwikkeling. Ik mag er bezig zijn met geweldig boeiende thema’s als meertaligheid en OKAN (Onthaalklassen voor Anderstalige Nieuwkomers), die qua maatschappelijke relevantie toch net dat tikkeltje beter scoren dan het thema waar ik de afgelopen zes jaar voor mijn doctoraatsonderzoek mee bezig ben geweest: tussentaal in de klas. Ik had mezelf dan ook voorgenomen om, nu mijn proefschrift geschreven én verdedigd is, het hele tussentaalverhaal maar meteen voor eventjes op te bergen. Op den duur ben je immers – na steeds opnieuw dezelfde discussies – wel uitverteld.

geentussentaal

De kop van het bewuste Over Taal-stuk

Ik heb me dan ook weten in te houden toen er nogal wat reactie kwam op de stukken in de pers naar aanleiding van mijn promotie (een nieuwe job die je voltijds bezighoudt helpt daarbij ook wel), maar op het gisteren verschenen stuk van voormalig collega Albert Oosterhof, waarmee het tijdschrift Over Taal vol uitpakt op zijn website, wil ik wél nog eens reageren. Onder de veelzeggende titel Leraren mogen géén tussentaal gebruiken stelt Oosterhof naar aanleiding van mijn doctoraatsonderzoek vast dat tussentaal “steeds salonfähiger [wordt] als onderwijstaal”, wat voor hem een “problematische ontwikkeling” is. Op zich is dat een te verdedigen standpunt: een van de vaststellingen in mijn proefschrift is inderdaad dat bepaalde omgangstalige kenmerken – met voorop de weglating van de begin-h (ij ‘hij’) of de eind-t (nie ‘niet’) en het gebruik van ge/gij voor ‘je/jij’ – door veel leraren in de klas niet langer als problematisch worden beschouwd, en ik kan me voorstellen dat niet iedereen dat even leuk vindt. Het is trouwens met opzet dat ik zulke kenmerken nu ‘omgangstalig’ noem, en niet ‘substandaardtalig’: op zich is een zin als ge moed u nie aast’n niet minder waard dan de standaardtalige tegenhanger je moet je niet haasten. 

Het hoeft echter geen betoog dat er in de hoofden van veel Vlamingen wél een hiërarchisch onderscheid bestaat tussen beide zinnen: de verwoede pogingen die er tussen de jaren 50 en 80 van de vorige eeuw zijn geweest om de standaardtaal ingang te doen vinden, hebben ertoe geleid dat standaardtaal als de beste, mooiste, meest aangename variëteit wordt beschouwd. Op zich opnieuw geen bezwaar – over smaak valt niet te twisten – maar het wordt wél problematisch als alles wat géén deel uitmaakt van die strakke standaardtaalnorm dan maar meteen als een afwijking geframed wordt.

Laat dat nu net zijn wat zo prominent naar voren komt in Oosterhofs column (het is een stuk van één pagina, onder de noemer Taalkronkels, dus laat ik het maar een ‘column’ noemen): al in de allereerste zin gaat het over “afwijken van de standaardtaalnorm”. Hoewel Oosterhof zelf benadrukt dat hij leraren die tussentaal gebruiken “niet wil afbranden”, is dat exáct wat hij in het stuk doet. Hoe valt de bewering dat tussentaalsprekende docenten “vluchtelingen in de eigen taal [zijn] en opgevangen moeten worden” anders te interpreteren? Dat is in mijn ogen een bijzonder grove geringschatting van het taalgebruik van bijzonder veel Vlaamse leerkrachten, die er zich wel degelijk van bewust zijn dat er Standaardnederlands van hen verwacht wordt, maar die ervoor kiezen om zich primair te focussen op de inhoud van hun lespraktijk, eerder dan op de vorm. Natuurlijk zou het in een ideale wereld en-en moeten zijn, maar de lesuren in een lerarenopleiding zijn beperkt, en het pakket te behandelen lesthema’s blijft maar toenemen – dan kan ik me perfect voorstellen dat er weinig tijd overblijft om gericht aan gesproken standaardtaalbeheersing te werken.

Het heeft mij enige tijd gekost om een gefundeerd antwoord te vinden op de vraag of leraren voor mij tussentaal mogen spreken of niet. Als lesgever in een opleiding Nederlands was het ex officio mijn plicht om het belang van gesproken Standaardnederlands te benadrukken (en dat deed ik dan ook nadrukkelijk en vol goede moed), maar als onderzoeker kwam ik terecht in tal van klaslokalen waarin op een veel lossere, meer open manier met taalgebruik en taalvariatie werd omgesprongen. Het heeft me tot een erg pragmatische houding gebracht: dat er in de klas ook taalvarianten te horen zijn die niet aan de strikte definitie van Algemeen Nederlands voldoen, lijkt mij geen probleem, op voorwaarde dat het taalgebruik dat de leraar hanteert (1) verstaanbaar is voor alle leerlingen, en (2) hun niet – op positieve of negatieve wijze – opvalt. Dat het eerste element van belang is, lijkt me vanzelfsprekend: bij leerlingen die niet kunnen begrijpen wat hun leraar zegt, komt het leerproces immers in gevaar. Het is echter niet zo dat alleen Standaardnederlands voldoet aan het selectiecriterium ‘verstaanbare vormen van Nederlands’, zoals sommige behoeders van de standaardtaal durven te stellen. Het tweede element vereist misschien wat meer uitleg, want of taalgebruik (niet-)opvallend is, dat is een erg subjectief criterium (net als verstaanbaarheid trouwens, maar goed). Tijdens mijn onderzoek heb ik leerlingen weleens horen praten over leerkrachten die continu in het lokale dialect lesgeven, terwijl die leerlingen – zelfs als de verstaanbaarheid niet in het gedrang komt – vinden dat dat toch wel écht niet past binnen een klascontext. Op zulke momenten gaan ze eerder op het taalgebruik letten dan op de lesinhoud, en dan krijg je (potentieel) wél problemen.

Zolang er echter aan beide criteria voldaan is, dan is het wat mij betreft prima. In veel gevallen betekent dat dat het lokale dialect minder geschikt of gewoon ongeschikt is om les in te geven – tenzij in een aantal specifieke contexten. Om een humoristisch effect te bereiken bijvoorbeeld, zoals Oosterhof zelf aanhaalt, maar zoals ik vorig jaar in dit stukje schreef, zijn er nog wel een paar voorbeelden te bedenken. Maar hoeveel situaties zijn er waarin enkel standaardtaal kan? Waarin mijn pragmatische criteria van verstaanbaarheid en niet-opvallendheid onvoldoende zijn? Oosterhof brengt er slechts eentje in stelling: dictees. Daar is het inderdaad problematisch als er eens een eind-t of een begin-h uitvalt, of als een goedbedoelende West-Vlaming het over een hlad wehdek ‘glad wegdek’ heeft – maar ik mag hopen dat leraren voldoende geprofessionaliseerd zijn om dat zelf ook te beseffen, en in te grijpen als zou blijken dat hun leerlingen daardoor systematische spellingproblemen hebben.

Alleen: is die ene context wel genoeg om – zoals in de titel gebeurt – te concluderen dat leraren dan maar gewoon géén tussentaal kunnen of mogen gebruiken? Oosterhof doet wat lacherig over wat hij mijn ‘compassie-argument’ noemt (in het kort: de idee dat Vlamingen door al die standaardtaalfixatie weer gaan twijfelen aan zichzelf en hun taalbeheersing), en misschien heeft hij wel een punt: ik betwijfel dat er veel leraren wakker liggen van hun al dan niet standaardtalige taalgebruik in de klas – en maar goed ook. Het enige wat hij daartegenover echter in stelling brengt, is een weinig subtiel verwoord hellendvlakargument:

“Het standpunt dat leraren mogen spreken zoals ze willen, opent de deur niet alleen voor tussentaal, maar ook voor andere variëteiten in Vlaanderen én Nederland. Bijvoorbeeld voor Poldernederlands, dialecten, etnolecten. Dan ga ik hun weer als onderwerp gebruiken en is het ook prima als een docent het heeft over ‘de meisje’.”

Het is een klassieke drogreden in de wondere wereld van het standaardtaal-of-tussentaaldebat: waar gaat dat eindigen, als we dit toelaten? Om zijn punt te maken, sleept Oosterhof er nog een paar notoire klassiekers in het genre bij, zoals het eeuwige noemen-versus-heten of het gebruik van hun als onderwerpsvorm, maar ook hier geldt: als het verstaanbaar is en niet opvalt, is er wat mij betreft geen bezwaar. ‘Verstaanbaarheid’ en ‘opvallendheid’ lijken me trouwens (didactisch) nuttigere labels dan ‘standaardtaal’ of ‘tussentaal’ (want daartussen valt toch geen gedegen onderscheid te maken, en zowat iedereen mengt de twee door elkaar), én bieden je als leraar de gelegenheid om in discussie te gaan met je leerlingen over heldere communicatie, en wat daar allemaal bij komt kijken. Kijk, meteen een mooie lestip erbij.

[Persbericht] Tussentaal in de klas: geen probleem voor leerkrachten

Het onderstaande persbericht verscheen op 31 augustus 2016 op de website van de Universiteit Gent, naar aanleiding van de openbare verdediging van mijn proefschrift op 1 september 2016.

(31-08-2016) Leerkrachten hebben uiteenlopende redenen om in de klas (bewust) tussentaal te gebruiken. Dat blijkt uit het doctoraatsonderzoek van Steven Delarue, die 82 Vlaamse leerkrachten uit het basis- en secundair onderwijs observeerde en interviewde.

“Ebde da nie voorbereid? Dan moogt ge ‘t ook morgen indienen!” De gemiddelde Vlaamse leraar gebruikt vaak tussentaal in de klas, tegen de verwachtingen van de maatschappij en de overheid in. Leerkrachten zijn er zich wel degelijk van bewust dat er Algemeen Nederlands van hen verwacht wordt, maar halen verschillende redenen aan om in bepaalde situaties toch tussentaal of dialect te hanteren.

Toch geen standaardtaal in de klas: zeven redenen

1.    De leerlingen. Leraren denken dat hun leerlingen hen zullen uitlachen als ze standaardtaal spreken, of er opmerkingen over zullen maken. Sommigen vinden ook dat er geen reden is om per se aan standaardtaal vast te houden, als de leerlingen het ook niet doen.

2.    De leraar zelf. Leraren geven aan dat ze soms gewoon te moe of te gestrest zijn om echt op hun taalgebruik te letten.

3.    De klascontext. Leraren passen hun taalgebruik aan om meer interactie te creëren met hun leerlingen. Standaardtaal wordt daarvoor als onvoldoende spontaan, dynamisch of onpersoonlijk beschouwd.

4.    Hiërarchie in het takenpakket. De maatschappij verwacht steeds meer van leraren: ze moeten leerlingen burgerschap bijbrengen, maar ook financiële geletterdheid en verkeersopvoeding. Goed lesgeven is daarom voor leraren vaak belangrijker dan goede standaardtaal spreken. De inhoud primeert op de vorm, en als het dan toch over de vorm gaat, letten de meeste leraren meer op spelfouten in geschreven teksten, dan op taalfouten in gesproken taalgebruik.

5.    Perceptie van standaardtaal. Voor veel leraren komt standaardtaal arrogant of verwaand over. Ze vrezen dat ouders en leerlingen daardoor een verkeerd beeld van hen zullen krijgen.

6.    Bredere standaardtaalnorm. Sommige leraren verbreden hun definitie van Algemeen Nederlands, om er zo voor te zorgen dat hun taalgebruik in de klas eigenlijk ook als standaardtaal kan worden beschouwd. Als het geen dialect is bijvoorbeeld, of als er maar geen grammaticale fouten in zitten, dan is het standaardtaal.

7.    De samenleving. Ook buiten de school wordt amper standaardtaal gesproken, behalve in de nieuwsstudio’s. Als er in de media steeds meer tussentaal wordt gesproken, waarom dan niet in het onderwijs?

Taalgebruik in de klas varieert

Volgens taalwetenschapper Steven Delarue is het normaal dat het taalgebruik van een leerkracht varieert:”Leerkrachten komen tijdens het lesgeven in tal van verschillende situaties terecht. Elk van die situaties brengt voor veel leraren een ander taalgebruik met zich mee. Zo kan een leraar eerst een stuk theorie uit het handboek uitleggen in iets wat dicht bij standaardtaal aanleunt, daarna die theorie illustreren met een zelfgekozen voorbeeld in een wat tussentaliger taalgebruik, en tussendoor de klas even tot de orde roepen met een welgemikte zin in het dialect.”

Focus op standaardtaal in taalbeleid

In het taalbeleid van de overheid is er echter weinig tot geen ruimte voor nuance als het over het taalgebruik in onderwijscontexten gaat. Zo schreef voormalig minister van Onderwijs Frank Vandenbroucke in zijn talenbeleidsnota dat er in de klas enkel plaats is voor het Standaardnederlands. Uit het UGent-onderzoek bij leerkrachten uit het basis- en secundair onderwijs blijkt dat leraren dat beleid tot op zekere hoogte onderschrijven: bijna allemaal benadrukken ze het belang van standaardtaal, en geven ze aan dat leraren Algemeen Nederlands zouden moeten spreken in de klas. Dat is ook het beleid dat de meeste scholen uitdragen in hun schoolreglement, of in hun eigen schooltaalbeleid.

Naar een aangepast, open taalbeleid

De wat dubbele houding van Vlaamse leraren ten opzichte van het taalbeleid van de overheid toont voornamelijk aan dat ernood is aan een beleid dat rekening houdt met de specifieke kenmerken van het Vlaamse onderwijs.
Steven Delarue: “In beleidsteksten wordt nu enkel ruimte voorzien voor het Standaardnederlands in schoolcontexten, terwijl tussentaal en dialect erg negatief gekarakteriseerd worden. Het beleid houdt echter geen rekening met de erg verschillende situaties waarin leraren – en leerlingen – elke dag opnieuw terechtkomen, en de grote variatie in taalgebruik die daar logischerwijze uit volgt. Zeker nu het aantal meertalige leerlingen ook blijft toenemen, is het zaak om werk te maken van eenopen, niet-veroordelend taalbeleid, niet alleen ten opzichte van taalvariëteiten binnen het Nederlands, maar ook wanneer het over andere talen gaat.”

Natuurlijk hoeft dat niet te betekenen dat het Standaardnederlands volledig overboord moet worden gegooid, of dat tussentaal vanaf nu de norm moet worden. “Een goed taalbeleid moet duidelijk, zinvol en haalbaar zijn. Nu is er bijvoorbeeld nog te veel onduidelijkheid over wat nu eigenlijk standaardtaal is en wat niet, en wordt alles wat geen standaardtaal is zomaar verketterd. Leerkrachten zouden de kans moeten krijgen om zelf te bepalen wat voor taalgebruik ze van leerlingen verwachten. Dat hoeft dan niet altijd en overal standaardtaal te zijn, maar kan afhangen van de specifieke situatie: standaardtaal tijdens een presentatie, maar een tussentaligere variant tijdens groepswerk, bijvoorbeeld. Op die manier worden leerlingen registervaardig: ze kunnen hun taalgebruik aanpassen aan de situatie. Bovendien hoeven leraren zich niet langer onder druk gezet te voelen als het over hun taalgebruik gaat. Die aandacht kunnen ze misschien beter besteden aan het halen van hun pedagogische doelen.”

Doctoraatsverdediging op 1 september

Op donderdag 1 september, om 10.30 uur, verdedigt Steven Delarue zijn proefschrift “Bridging the policy-practice gap. How Flemish teachers’ standard language perceptions navigate between monovarietal policy and multivarietal practice” in de Aula (Voldersstraat 9) in Gent, met het oog op het behalen van de titel van Doctor in de Taalkunde. De verdediging is openbaar, en vrij toegankelijk voor alle geïnteresseerden.

Publieke verdediging proefschrift: donderdag 1 september

Afgelopen vrijdag, op 1 juli, heb ik mijn proefschrift intern verdedigd. Daarna heeft de jury me unaniem toegelaten tot de publieke verdediging van mijn proefschrift – wat betekent dat ook jij de kans krijgt om kennis te maken met de resultaten van m’n doctoraatsonderzoek en er desgewenst ook kritische (of niet zo kritische) vragen over kan stellen. De publieke verdediging van mijn proefschrift, onder de titel Bridging the policy-practice gap. How Flemish teachers’ standard language perceptions navigate between monovarietal policy and multivarietal practice, vindt – bijzonder toepasselijk – plaats op de eerste dag van het nieuwe schooljaar, donderdag 1 september 2016. Als locatie heb ik gekozen voor de statige Aula Academica van de universiteit, in de Voldersstraat 9 (Gent). De verdediging start om 10u30 (stipt!) en duurt ongeveer tot 12u15-12u30. Daarna volgt nog een receptie voor de genodigden. Zin om aanwezig te zijn? Neem dan per mail contact met me op, graag vóór 26 augustus. Hopelijk tot dan!

Meer informatie is hier terug te vinden, en ook op de website van de UGent.

img_42_20120614135046

D-day

1 juni 2016 stond in mijn agenda met stip aangeduid als D-day – waarbij de D in dit geval stond voor doctoraat. Het is een datum waar ik vaak reikhalzend naar heb uitgekeken, maar die er bij momenten ook wel eens té snel dreigde aan te komen. Gelukkig is het uiteindelijk allemaal in orde gekomen, en wordt mijn proefschrift straks officieel neergelegd op de faculteitsraad van deze namiddag.

CjyiUAuW0AA5k3l

Geen zorgen: deze vrij kleurloze eerste versie wordt, bij goedkeuring van de examencommissie na de eerste verdediging, ingeruild voor een fraaier boekexemplaar

Het proefschrift, onder de ronkende titel Bridging the policy-practice gap. How Flemish teachers’ standard language perceptions navigate between monovarietal policy and multivarietal practice, bestaat uit zes artikelen, die ofwel gepubliceerd zijn, ofwel ingestuurd naar internationale tijdschriften. Dat internationale karakter verklaart ook meteen waarom mijn proefschrift goeddeels in het Engels werd geschreven: het aantal hooggerankte taalkundige tijdschriften in het Nederlands is helaas op één hand te tellen – of eerder op één vinger, want er is er maar eentje. Dat betekent ook meteen dat er één Nederlandstalig stuk in mijn proefschrift zit, vergezeld van vijf Engelstalige – waardoor het logischer werd om de omringende hoofdstukken ook maar meteen in het Engels te schrijven, zelfs al gaat het proefschrift over de percepties van Vlaamse leerkrachten ten aanzien van het Standaardnederlands. Op die manier kunnen ook buitenlandse collega’s inzicht krijgen in de Vlaamse situatie, die toch als een intrigerende context kan worden beschouwd: over heel Europa zijn standaardtalen onderhevig aan veranderingen en komen er andere, dynamische vormen van taalgebruik voor, maar Vlaanderen moet wel de regio zijn met de hoogste ideologische gevoeligheid voor de standaardtaalvariëteit, en dat zorgt steevast voor vuurwerk en bijwijlen grimmige debatten. Meteen ook de reden waarom ik indertijd voor dit specifieke thema heb gekozen.

Vanaf nu wordt het iets rustiger, wat betekent dat ik – eindelijk! – opnieuw wat meer tijd kan maken voor het schrijven van blogstukken, het lezen van boeken (er ligt een stapel klaar) en het verbeteren van de berg scripties en examens die zich op m’n bureau aan het vormen is. Intussen gaat m’n proefschrift richting de leden van de examencommissie. Stay tuned!

Van ‘hun hebben’ tot ‘op je sjtrepen staan’: de taalkundige relevantie van Mijn Pop-Uprestaurant

Wie mij een beetje kent, weet het al, maar voor de anderen even een kleine bekentenis: ik ben een grote fan van reality-tv. De afgelopen weken en maanden werd ik dan ook op m’n wenken bediend, met De Mol (Vier) op maandag, Temptation Island (Vijf) op woensdag en een nieuw seizoen van Mijn Pop-Uprestaurant (vtm) op dinsdag en donderdag. Elke dag iets om naar uit te kijken na alweer een veel te lange werkdag (dat doctoraat schrijft helaas zichzelf niet) – de guilty pleasures volgen elkaar in ijltempo op.

Maar nu heb ik een reden gevonden om me niet meer guilty te voelen bij zoveel realitygeweld: die programma’s zijn immers taalkundig bijzonder interessant. Dit semester bestuderen een aantal studenten in het kader van hun bachelorproef het (standaard)taalgebruik in formele en, euh, minder formele tv-programma’s, om zo na te gaan of er opmerkelijke verschillen opduiken. Komen er in informele tv-programma’s bijvoorbeeld opvallend minder deleties van begin-h (ij eeft voor hij heeft) of eind-t (nie voor niet) voor dan in formele programma’s? Hoe frequent wordt een expletief dat gebruikt (Ik weet niet of dat hij dat gezien heeft)? Als zou blijken dat dergelijke ‘typische’ tussentaalkenmerken het ook tot in formelere programma’s (genre TerZake of De Afspraak) weten te schoppen, dan zegt dat veel over de evolutie van het Nederlands in Vlaanderen: het zou kunnen betekenen dat de standaardtaalnorm breder wordt, of dat er zich naast de ‘formele’ standaardtaal ook een ‘informele’ standaardtaal aan het vormen is.

mijn-pop-uprestaurant_wit

Realitykijkvoer op dinsdag én donderdag (Bron: Medialaan)

Mijn Pop-Uprestaurant is een van de vier ‘informele’ programma’s die bestudeerd worden. Over het taalgebruik van Amanda, Jan en Miette – de drie personen die we van naderbij bekijken – zal ik het later nog wel eens hebben, maar in Pop-Up duikt er nog veel meer taalkundig fraais op. Een week of twee geleden hoorde ik Sven, de sympathieke kok van de Grieks-Genkse pop-up Kommáti, opeens ‘hun hebben’ gebruiken, met het gebruik van ‘hun’ als onderwerp.

Opvallend, want hoewel ‘hun’ in Nederland erg frequent wordt gebruikt als subject (maar nog steeds afgekeurd wordt), hoor je het in Vlaanderen zo goed als nooit. Sven was de eerste Vlaming die ik het ‘in het wild’ hoorde gebruiken – al wist een collega me kort erna te vertellen dat José De Cauwer, ex-wielrenner en huidig wielercommentator bij de vrt, het ook frequent bezigt. Als dat klopt, valt dat nog vrij eenvoudig te verklaren: De Cauwer reed jarenlang bij Nederlandse wielerploegen, en was – toch volgens Wikipedia – jarenlang de persoonlijke helper van Hennie Kuiper. Hoe Sven, de kokende ‘Minion’ uit Brasschaat, bij ‘hun hebben’ terecht is gekomen, blijft vooralsnog echter een raadsel.

media_xll_8410823

De zes duo’s van Mijn Pop-Uprestaurant 2016 (Foto: Medialaan)

In de aflevering van gisteren was het alweer bingo, en nog maar eens in Genk: in L’Oro Nero, het Italiaanse pizza-en-cocktailrestaurant van Giordano en Myrthe, liep het helemaal fout in de keuken. Giordano snauwde z’n personeel af, gelardeerd met een paar fucking’s hier en daar (naar het goeie voorbeeld van jurylid Sergio Herman), en maakte zichzelf er zo niet meteen sympathieker op…

Wat echter vooral opviel: door al die ongebreidelde emotie kwamen er opeens verschillende kenmerken van het Cités bovendrijven, een soort straattaal die in de tweede helft van de vorige eeuw ontstond in Limburg, uit de mengtaal die de uit Italië, Turkije en Griekenland geïmporteerde mijnwerkers gebruikten om met elkaar te kunnen communiceren. Nu is het vooral de taal van de jongeren uit de cités, de arbeiders- en migrantenwijken in de steden. Over dat Cités valt bijvoorbeeld hier of hier meer te lezen, en hier hoor je linguïste Stefania Marzo er meer over vertellen, maar één van de opvallendste kenmerken ervan is de uitspraak van de begin-s als sj-, op voorwaarde dat er een of meer medeklinkers op volgen. Stijl wordt dan bijvoorbeeld sjtijl.

Nu deed Giordano dat in vorige afleveringen ook wel al, maar in de aflevering van gisteren viel het wel héél erg op. Ook op Twitter, zo bleek, want ondanks het feit dat de sj-klank gebruikt wordt door een immer groeiend aantal Limburgse jongeren én het populaire personage Smos uit de vtm-reeks (en -film) Safety First, wordt Giordano er opeens wel erg nadrukkelijk op afgerekend:

Terwijl Smos de sj-klank weet te gebruiken om gevoelens van gezelligheid en sympathie op te roepen, ook bij niet-Limburgers, gaat het bij Giordano compleet de andere kant uit: kijkers associëren zijn sjtijl vooral met arrogantie en misplaatst egocentrisme. Zo gaat het trouwens wel vaker met opvallende (‘saillante’) taalkenmerken: net omdat ze zo herkenbaar en prominent zijn, kunnen ze meerdere functies hebben. Zo is een West-Vlaming die zijn g’s en h’s verwart misschien wel authentiek en gezellig in Eigen Kweek of Bevergem, maar toch veeleer een lompe boer in pakweg Het Journaal of De Zevende Dag. Nu nog uitvissen in welke categorie Marvin van Temptation Island thuishoort.

Stem nu (op mij) voor de LIA’s

Heuglijk nieuws: mijn website is genomineerd voor een Language Industry Award (LIA), in de categorie Best Website in the Language Industry! Te veel eer, uiteraard, vooral omdat er met DialectloketTaalverhalen en – ja hoor – Google Translate verschillende kleppers genomineerd zijn, maar een mens mag dromen natuurlijk.

Nog tot en met 15 maart 2016 kun je op de website van de Language Industry Awards je stem uitbrengen. Ik wil alvast een warme oproep doen om te stemmen op een van de verschillende genomineerde UGentprojecten:

In de categorie ‘Best Language Project 2015’:

  • AMiCA: het doel van AMiCa (Automatic Monitoring for Cyberspace Applications) is om met nieuwe technologie de veiligheid van kinderen op het internet te waarborgen, zonder hun privacy te schenden. AMiCA is een samenwerking tussen de UGent (vakgroep Vertalen, Tolken en Communicatie, afdeling Taaltechnologie), de UAntwerpen en de KU Leuven.  
  • Petitie voor wetenschapspopularisering: Professor Filip Devos (vakgroep Vertalen, Tolken en Communicatie; hoofdredacteur Over taal) startte vorig jaar een petitie, gericht aan het Vlaams Parlement en de academische overheden, met een pleidooi voor meer wetenschapspopularisering in het Nederlands. Hij won hiermee eerder de Lofprijs 2015 van de Stichting Nederlands.

In de categorie ‘Best Website in the Language Industry 2015’:

  • www.dialectloket.be: UGent-dialectologen van de afdeling Nederlandse Taalkunde ontwikkelden Dialectloket, een website met informatie over dialecten, digitale woordenboeken, honderden geluidsfragmenten, boeiende video’s en prachtige taalkaarten.
  • www.stevendelarue.be: Steven Delarue is assistent en onderzoeker aan de afdeling Nederlandse Taalkunde. Hij blogt over taal, onderwijs en taalonderwijs in Vlaanderen.

[Opinie] ‘T’ès moar een variant wè, Mia’

De onderstaande tekst verscheen vandaag als opiniestuk in ‘De Standaard’, bij wijze van reactie op een eerdere column van Mia Doornaert, waarin ze waarschuwt voor “een Vlaanderen zonder taal”. Ik verwijs meteen ook graag naar een andere reactie op Doornaerts column: het erg lezenswaardige stuk van schrijfster Ann De Craemer in ‘De Morgen’. 

GEEN KAALSLAG, MAAR NET TAALRIJKDOM

T’ès moar een variant wè, Mia

De alarmkreten van Mia Doornaert over het Standaardnederlands zijn voor Steven Delarue niet alleen voorspelbaar, maar vooral ook schadelijk. Door een deel van de taalgebruikers neer te bliksemen, laat je uitschijnen dat sommigen beter hun mond houden. Op welke manier kan dat democratisch zijn?

Met stijgende verbazing las ik de column van Mia Doornaert (DS 1 februari) . Dat ze daarin voor de zoveelste keer klaagde over ‘de verloedering van het taalonderwijs’ of de ‘schrikbarende vervuiling van het Nederlands door het Engels’ verbaast niet – dat riedeltje kennen we intussen. Wél dat ze uit dat alles concludeert dat we naar een Vlaanderen zónder taal zouden evolueren. Misschien leef ik in een ander Vlaanderen dan dat van de barones, want ik merk om me heen net steeds méér taaldiversiteit op. Op de tram hoor ik allerlei talen door elkaar, en in scholen hoor (en zie) ik jongeren op bijzonder creatieve en inventieve manieren met taal omgaan.

Voor Doornaert ís dat helemaal geen taal. Enkel dat precieuze Standaardnederlands voldoet volgens haar aan die beschrijving, en alles wat daarbuiten valt, is het niet waard om Nederlands genoemd te worden. Daaruit spreekt een onverholen minachting voor het taalgebruik dat zowat elke Vlaming dagelijks hanteert en een ongebreideld elitarisme. In haar column ontkent ze dat, en noemt ze zichzelf net democratisch, maar wat is er democratisch aan om élke vorm van taalgebruik onderuit te halen die afwijkt van de standaardtaal? Het is een discours waarin geen plaats is voor enige nuance.

Wondermiddel

Steeds opnieuw blijven de aanhangers van dergelijk standaardtaalfetisjisme zich verkijken op het belang van Standaardnederlands. Hoe luid ze ook mogen verkondigen dat standaardtaalbeheersing alle problemen van meertaligheid en maatschappelijke ongelijkheid zal oplossen: dat is niet zo. Mia Doornaert lijkt het Standaardnederlands nog steeds als een soort wondermiddel te beschouwen. Zo suggereerde ze in een eerdere column in deze krant (DS 1 juli 2015) nog dat er veel minder gevangenisstraffen zouden worden uitgesproken als iedereen gewoon Algemeen Nederlands zou spreken.

Standaardtaalverdedigers hebben het volste recht op hun mening, maar het probleem is dat Vlamingen op die manier (opnieuw) taalonzeker worden gemaakt. Vooral het Vlaamse onderwijs krijgt daarbij steeds weer een veeg uit de pan: Doornaert hoorde ik in debatten leerkrachten ‘laks’, ‘lui’ en ‘arrogant’ noemen, omdat ze het kostbare karakter van taal niet zouden erkennen, en ook in haar recentste column haalt ze weer een aantal voorbeelden aan om op de ‘verloedering’ van het taalonderwijs te wijzen.

Die dystopische visie deel ik niet. Voor mijn doctoraatsonderzoek aan de UGent, over het taalgebruik en de taalpercepties van leerkrachten in het basis- en secundair onderwijs, heb ik 82 leerkrachten geobserveerd en geïnterviewd. Ik heb zo kennis mogen maken met 82 bijzonder geëngageerde en creatieve leerkrachten, die uitstekend lesgaven en de leerlingen enthousiasmeerden voor hun vak. Alleen: dat gebeurde lang niet altijd in vlekkeloze standaardtaal.

Zo hoorde ik zelf ook uitingen als ‘wanneer dat je klaar bent’ of ‘ge moogt dat in uw agenda noteren’ passeren, die door Door­naert en co steeds opnieuw als on-Nederlandse wartaal worden weggezet. Opnieuw: ik heb bijzonder veel begrip voor de hartstochtelijke wijze waarop ze het Standaardnederlands verdedigen, en ik kan me voorstellen dat sommige mensen spontaan beginnen te huiveren als ze moeten lezen dat – ik zeg maar iets – de plotselinge stijging in de verkoop van washandjes te ‘wijten’ is aan het succes van Bevergem, maar is er dan iemand die niet begrijpt wat er met die zin precies wordt bedoeld? Taal kan en mag geen doel op zich zijn: het is een communicatiemiddel, dat zich niet zomaar gewillig in regels en woordenboeken laat vastleggen, en getuigt van een vaak grillige dynamiek.

Onaantastbare norm

Die taalrealiteit is volstrekt normaal en Vlamingen hoeven zich voor hun taalgebruik allerminst te schamen. Het idee dat het Standaardnederlands de énige taal­variëteit is die maatschappelijke participatie en gelijke kansen toelaat en dat andere vormen van taalgebruik het etiket ‘taal’ niet verdienen, richt bijzonder veel schade aan. Dat discours doet mensen weer twijfelen aan zichzelf en aan hun taalbeheersing. Daardoor menen mensen zich te moeten verontschuldigen voor hun taalgebruik, en gaan ze denken dat ze misschien beter zouden zwijgen in plaats van hun mond open te doen. Dat ze zich maar beter slécht zouden voelen over hun taalgebruik, aangezien ze die onaantastbare standaardtaalnorm niet altijd halen. Hoe dat dan democratisch is, en níét elitaristisch, dat moet Mia Doornaert maar eens uitleggen. Ik ben in elk geval preus lik fjirtig op de Vlaamse taalrijkdom.