PISA en ‘taalachterstand’: een bloemlezing van de afgelopen week, en enkele persoonlijke reflecties

Wie deze blog een beetje volgt (of mij persoonlijk kent), weet intussen wel dat ik het liefst bezig ben met maatschappelijk relevante thema’s, die bij voorkeur ook nu en dan eens wat media-aandacht krijgen. Het is zo dat ik bij het thema van mijn doctoraatsonderzoek ben uitgekomen, en mijn nieuwe job bij Onderwijscentrum Gent blijkt ook ruimschoots aan dat criterium te voldoen: meertaligheid, het thema waar ik sinds september dagelijks mee bezig ben, was de afgelopen week niet meer uit de media weg te slaan – al ging het in de opiniepagina’s van de kranten meestal over ‘anderstaligheid’. Het gebruik van die term kan meteen symbool staan voor wat me het meest aan de discussies van deze en vorige week gestoord heeft, los van het PISA-onderzoek waaraan ze ontsproten waren: dat ze opnieuw blijk gaven van een erg prominent wij/zij-denken. In deze populistische tijden is dat helaas verre van nieuw, maar het blijft me verbazen hoe snel een inhoudelijke discussie verzandt in onnodige polarisatie en politisering.

PISA?

Even snel recapituleren: op 6 december werden de resultaten van het recentste PISA-rapport voorgesteld. PISA of Programme for International Student Assessment is een internationaal vergelijkend onderzoek dat op initiatief van de OESO wordt uitgevoerd, en test 15-jarigen op hun leesvaardigheid, wiskundige geletterdheid en wetenschappelijke geletterdheid. Sinds 2000 wordt het PISA-onderzoek driejaarlijks afgenomen, waarbij er telkens wordt gefocust op een van de drie eerder vermelde domeinen.

De sterke leerlingen niet vergeten

Uit de resultaten voor Vlaanderen blijkt dat Vlaamse leerlingen nog steeds bovengemiddeld scoren, en dat voor elk van de drie domeinen. Voor wiskunde behoort Vlaanderen zelfs tot de wereldtop, net na de Aziatische landen. Bij leesvaardigheid en wetenschappen halen we de toptien. Tegelijk blijkt echter dat de kloof tussen laagpresteerders en hoogpresteerders toeneemt, en dat het aantal hoogpresteerders daalt: in 2000 haalde ruim één derde van de Vlaamse leerlingen nog een topniveau wiskunde, terwijl dat nu nog 20,7 procent is. Macro-econoom Geert Noels reageerde in een Facebookpost fel op de “hoerastemming” die hij met betrekking tot PISA meende te ontwaren in de media, en hekelde de “erosie van het niveau” en de “nivellering naar beneden” die volgens hem volop is ingezet. Volgens Noels is dat zelfs een doelbewuste beleidsstrategie: kinderen die een voorsprong hebben afremmen, zodat de kloof kleiner wordt.

Dat lijkt me een volstrekt onterechte én onjuiste implicatie, maar de onderliggende bezorgdheid deel ik tot op zekere hoogte: er moet ook voldoende aandacht gaan naar de sterkere leerlingen, zowel in het beleid als in de klaspraktijk. Wouter Duyck, docent cognitieve psychologie aan de UGent, benadrukt in een opiniestuk in De Morgen dat “een ambitieus en sociaal rechtvaardig onderwijs niet enkel een verantwoordelijkheid [draagt] voor de kwetsbaarste, maar voor álle leerlingen”. Differentiatie moet in twee richtingen werken, en Duyck stelt dat sterkere leerlingen meer uitdagen op langere termijn zal zorgen voor meer welvaart. Bovendien, en dat vind ik Duycks belangrijkste argument, moet je de lat net voldoende hoog leggen om te kunnen werken aan gelijke kansen en sociale mobiliteit:

Schoolprestaties mogen zo weinig mogelijk afhangen van het huis waar je geboren werd. Maar we moeten niet enkel bekommerd zijn om wie het niet goed doet op school. Ook sociaal kwetsbare leerlingen die het wél goed doen verdienen aandacht. In PISA 2012 haalde Vlaanderen het Europese record van 10 procent weerbare kinderen uit de meest kwetsbare milieus die toch een internationaal topniveau wiskunde haalden. Dáár zit de grootste opportuniteit voor sociale vooruitgang. Het streven naar excellentie in onderwijs is geen vijand, maar net een voorwaarde voor een geslaagd gelijkekansenbeleid. Sociale mobiliteit gebeurt niet vaak in de staart van de klas. Men mag niet verwachten van kinderen die in een problematische thuissituatie opgroeien, dat ze aan die achtergrond kunnen ontsnappen met een minimale cognitieve ontwikkeling. Integendeel, men moet er voor zorgen dat er ook excellent onderwijs is voor elk sociaal kwetsbaar kind met talent dat excellent onderwijs aankan. Enkel met een grote motor is klimmen op de sociale ladder met een zware bagage mogelijk.

Anderstaligheid: wij versus zij

De discussies in de kranten en op sociale media gingen echter amper of niet over die sterkere leerlingen. Er werd vooral gefocust op het andere uiteinde van de prestatiekloof: de leerlingen die (erg) laag scoren. Uit het PISA-onderzoek bleek dat kloof tussen autochtone leerlingen en leerlingen met een migratieachtergrond nergens zo groot is als hier in Vlaanderen. Blijkbaar slagen we er maar niet in om die kloof te dichten.

In de berichtgeving die daarop volgde, werd die kloof erg snel teruggebracht tot een wij/zij-verhaal van Nederlandstaligheid versus anderstaligheid, vanuit een diepgeworteld deficitdenken dat veronderstelt dat anderstalige jongeren een taalachterstand hebben, die allesbepalend is voor hun schoolse prestaties. De twee vorige ministers van Onderwijs, Frank Vandenbroucke en Pascal Smet, waren er vroeger altijd als de kippen bij om naar taalachterstand te wijzen als dé verklarende factor, en het lijkt alsof ook huidig Onderwijsminister Hilde Crevits zich in dat rijtje plaatst, met haar vaststelling in Terzake dat taal hét antwoord is op de hardnekkige prestatiekloof in Vlaanderen.

Socioloog en KU Leuven-docent Orhan Agirdag ging in opiniebijdragen in De Standaard en De Morgen fel in de tegenaanval: waarom zou taalachterstand net in Vlaanderen zo’n grote rol spelen en niet of veel minder in pakweg Nederland? Hoe komt het dat migranten in de rest van de wereld veel minder last hebben van hun taalrepertoire? Voor Agirdag is de taalachterstandsverklaring een sterk staaltje blaming the victim: het is “een manier om de spreekwoordelijke zwarte piet door te spelen naar de migranten zelf en de eigen verantwoordelijkheid (…) te miskennen”. Als er zulke grote verschillen opduiken tussen landen en onderwijssystemen, is het volgens Agirdag logischer om op het structurele niveau te gaan zoeken naar verklaringen voor ongelijkheid – daar kom ik verderop nog op terug.

Wie de prestatiekloof in de PISA-resultaten terugbrengt tot een taalkloof, moet overigens wat beter naar die resultaten kijken, aldus Agirdag:

Wanneer we verschillende etnische groepen vergelijken, dan zien we inderdaad dat anderstalige leerlingen minder goed presteren dan Nederlandstalige. Maar wanneer we binnen de verschillende groepen kijken, zien we in feite weinig tot geen effect van de thuistaal. Met andere woorden: Belgisch-Turkse leerlingen die thuis weinig tot geen Nederlands spreken, doen het gemiddeld niet slechter dan Belgisch-Turkse leerlingen die thuis wel Nederlands spreken.

Agirdag wijst in De Standaard op een aantal andere factoren, die een stuk invloedrijker (kunnen) zijn dan taalachtergrond: zittenblijven bijvoorbeeld, of de vorming die leerkrachten gekregen hebben. Al te vaak blijken leerkrachten zich onvoldoende ondersteund en gevormd te voelen als het gaat over (etnische) diversiteit en meertaligheid – dat signaal is in de drie maanden dat ik in het Onderwijscentrum werk ook al verschillende keren naar boven gekomen. Diversiteit zit bovendien onvoldoende structureel verankerd in het curriculum van de lerarenopleidingen: hogescholen en andere aanbieders zetten tal van waardevolle projecten op, en bieden geïnteresseerde studenten wel de kans om rond taal en diversiteit te werken in hun stage en/of bachelorproef, maar vaak blijft het bij dat ene keuzevak in het laatste jaar en studeren de meeste aspirant-leerkrachten af zonder enige gefundeerde kennis van (talige) diversiteit. Ook OESO-onderwijsspecialist Dirk Van Damme stelt in De Standaard overigens vast dat leerkrachten vaak onvoldoende voorbereid zijn om in de klas aan de slag te gaan met diversiteit.

Diversiteit is in het huidige onderwijs nochtans de norm geworden, ook met betrekking tot taal. In Gent heeft meer dan een kwart van alle jongeren niet het Nederlands als thuistaal. Dat kun je ‘anderstaligheid’ noemen, maar in de meeste gevallen is het vooral ‘meertaligheid’: leerlingen die meerdere talen spreken, en over een uitgebreide talige bagage beschikken. Zoals Agirdag het stelt:

Is het niet wraakroepend dat net die leerlingen die doorgaans meertalig zijn, voortdurend worden voorgesteld als leerlingen met een taalachterstand? Het is alsof die leerlingen niet méér, maar juist minder culturele bagage hebben, doordat ze een taal extra spreken.

Vol inzetten op taalbadmodellen om ‘taalarmoede’ en ‘taalachterstand’ weg te werken, helpt daarbij amper of niet. Het versterkt vooral de ongelijkheid, en het stigmatiseert leerlingen met een andere thuistaal dan het Nederlands. Die negatieve stereotypen halen hun schoolse zelfvertrouwen onderuit, en beïnvloeden zo ook hun schoolse prestaties. Om uit die cyclus te kunnen breken, mogen we het debat over onderwijsongelijkheid niet (blijven) verengen tot een debat over anderstaligheid.

De bedoelingen zijn nochtans zowat altijd nobel, daar ben ik van overtuigd. Vorig weekend schreef Kaat Opdenacker, met wie ik de afgelopen zes jaar aan de UGent Nederlandse taalvaardigheid heb gegeven, in De Morgen dat we problemen moeten durven te benoemen, wars van politieke correctheid. Dat Agirdag het niet over ‘taalachterstand’ wil hebben, vond ze dan ook “een beetje gemakzuchtig”, waarna ze mensen met een migratieachtergrond opriep om zich thuis vol overgave op het Nederlands te storten:

Misschien moeten alle Vlamingen met exotische roots ook maar eens de hand in eigen boezem steken. Trouw met iemand uit je eigen land, die ook Nederlands spreekt. Zet kinderen op de wereld die je opvoedt in het Nederlands of, godbetert, in het Schoon Vlaams. Stuur ze naar de Chiro of de scouts. Bouw samen aan een toekomst in Vlaanderen.

Dat vind ik op mijn beurt dan weer een beetje simplistisch. Die inschatting betekent echter allerminst dat m’n dierbare ex-collega zich bezondigt aan discriminatie en racisme, zoals politiek filosoof en UCLL-docent Bleri Lleshi gisteren nog in een reactie schreef. Het is erg spijtig dat Lleshi veeleer de vrouw dan de bal speelt, maar waar hij wel een punt heeft: dit soort adviezen, hoe goed ze ook bedoeld zijn, versterkt alleen maar het wij/zij-denken en houdt de negatieve perceptie ten aanzien van diversiteit en meertaligheid in stand.

Meer dan taal alleen: tal van andere factoren

Agirdag verwees er ook al naar: er zijn meer en invloedrijkere factoren dan taal. In De Morgen wijzen VUB’ers Els Consuegra, Jill Surmont en Esli Struys er bijvoorbeeld op dat het opleidingsniveau van de moeder een veel grotere impact heeft dan thuistaal. Op die manier lopen ook leerlingen die thuis exclusief Nederlandstalig zijn, maar van wie de moeder geen diploma secundair onderwijs heeft, een verhoogd risico op schoolse achterstand. De leerlingen die het meeste risico lopen op studieachterstand zijn de leerilngen die én thuis een andere taal spreken, én een moeder hebben zonder diploma secundair onderwijs. Om de prestatiekloof te overbruggen, is het daarom van belang om met meer nuance te spreken over de complexe uitdagingen waarmee scholen worden geconfronteerd.

Trouwens, als we dan toch naar taal kijken als verklarende factor, dan mag dat niet louter bekeken worden vanuit het perspectief Nederlands versus andere talen. In een reactie op zijn – overigens erg lezenswaardige – blog, wijst Kris Van den Branden (KU Leuven) op het grote verschil tussen thuistaal, dat erg concreet en hier-en-nu is, en schooltaal, dat abstracter is, en nood heeft aan een gespecialiseerde woordenschat en complexere zinnen. Voor alle kinderen, los van de taal die ze thuis spreken, is het een uitdaging om die schooltaal in de vingers te krijgen.

Er zijn ook systemische, structurele factoren die de prestatiekloof mee kunnen verklaren. In De Standaard komt Mieke Van Houtte aan het woord, hoogleraar sociologie aan de UGent. Voor haar komt de groeiende kloof tussen laag- en hoogpresteerders neer op een groeiende kloof tussen BSO en ASO. Omdat kansarmere mensen over het algemeen minder hoog mikken – zelfs al zouden ze beter kunnen – komen veel leerlingen met een migratieachtergrond in het TSO of BSO terecht. In ons huidige onderwijssysteem, dat erg hiërarchisch van aard is, worden die richtingen makkelijk als minderwaardig gezien, wat voor demotivatie zorgt onder de leerlingen. Via hun studiekeuze belanden leerlingen vaak in aparte scholen, en doordat er zelfs binnen de scholen grote schotten bestaan tussen de verschillende richtingen, is een sociale mix vaak een moeilijk te bereiken ideaalbeeld.

Ook Van den Branden noemt als een van de verklarende factoren een systemisch element van ons Vlaamse onderwijssysteem: de “onmiddellijke prestatiecultuur” die eigen is aan de evaluatiepraktijk in veel Vlaamse scholen. Leerlingen krijgen les over bepaalde leerstofonderdelen en moeten zowat meteen het bewijs leveren dat ze de stof beheersen. Presteren staat centraal, en dat werkt ten nadele van leerlingen die meer tijd en ondersteuning nodig hebben om leerstof te verwerken. Dat die leerlingen bij evaluaties slechter scoren, brandmerkt hen als ‘minderwaardig’, wat voor een lager zelfvertrouwen kan zorgen en zo tot nog lagere scores kan leiden.

Naast deze vier zijn er nog wel een pak factoren die de kloof tussen laag- en hoogpresteerders mee kunnen verklaren (Agirdag noemde er in z’n opiniestuk een paar, en Van den Branden lijst er nog een groot aantal op).

Een gepolitiseerd debat

Het debat van de afgelopen week heeft eens te meer laten zien dat het moeilijk is om het op een weloverwogen, genuanceerde manier over dit soort thema’s te hebben. Het is dan ook een precair evenwicht: aan de ene kant problemen durven te benoemen, zonder meteen beschuldigingen van discriminatie en racisme naar je hoofd geslingerd te krijgen, maar aan de andere kant ook vermijden dat het hele debat verengd raakt tot een wij/zij-kwestie die volledig – en onterecht – aan taal wordt opgehangen, en waarbij hele bevolkingsgroepen negatief geframed worden.

Meertaligheid – of anderstaligheid, zo je wil – is niet de enige factor: de prestatiekloof is het gevolg van diverse, onderling verbonden oorzaken. Een dergelijk complex probleem vraagt om een geïntegreerde oplossing, die dieper gaat dan taalbadmodellen, trouwen met Vlamingen of je kindjes wekelijks naar de Chiro sturen. Binnen onze werking in het Onderwijscentrum stimuleren we ouders die thuis geen Nederlands spreken net om hun thuistaal te gebruiken met hun kind, vanuit de overtuiging dat een sterke thuistaal een steiger kan zijn voor een sterke(re) taalverwerving in het Nederlands. De thuistaal van kinderen met een migratieachtergrond mag in de klas niet weggemoffeld worden, maar moet een duidelijke plaats krijgen, zodat een kind zich welkom voelt op school. Het uiteindelijke doel blijft taalverwerving en taalvaardigheid in het Nederlands, maar de weg ernaartoe is niet die van het taalbad. “In een taalbad verzuip je,” zo schreven mijn voormalige UGent-collega’s Stef Slembrouck en Piet Van Avermaet twee jaar geleden nog in De Standaardwe moeten af van de gedachte dat altijd en overal Nederlands steevast beter is, en dat kwantiteit primeert.

Als we de prestatiekloof willen overbruggen, dan moeten we met meer nuance spreken over de complexe uitdagingen waar scholen mee te maken krijgen. Zoals Els Consuegra en collega’s in De Morgen benadrukken, staat polarisatie (door anderstaligheid te beschouwen als een handicap) haaks op het willen voeren van een inclusief beleid: groepen stigmatiseren door ze op basis van één eigenschap te karakteriseren als onderpresteerders, doet afbreuk aan een veel complexere onderwijsrealiteit, die het resultaat is van een samenspel van tal van factoren.

Hoe kan of moet het dan wel? Enkele persoonlijke reflecties

  • Besef dat taal maar één element is in een breed verhaal over diversiteit, en reduceer mensen niet tot de taal die ze spreken. Maar als het dan toch over taal gaat, hanteer dan een positieve, niet-veroordelende houding ten aanzien van thuistaal en -cultuur. Meertaligheid is geen handicap, maar een troef. Het einddoel blijft steeds taalverwerving en taalvaardigheid in het Nederlands, maar een sterke thuistaal vormt daarbij een stevige opstap.
  • Zorg voor een sterkere, structurele verankering van (taal)diversiteit en methodieken als taalontwikkelend lesgeven in de curricula van lerarenopleidingen – niet enkel in projecten en keuzevakken op het einde van de opleiding, maar centraal in het programma. Voorzie in specifieke modules of postgraduaten/Ba-na-Ba’s rond diversiteit en meertaligheid, zodat er ook leerkrachten voor de klas komen die extra beslagen zijn in de materie, en schoolteams mee kunnen ondersteunen.
  • Zet de beste leraren in op de beste plaats: nu staan de minst ervaren leerkrachten vaak in die scholen waar de uitdagingen het grootst zijn, terwijl daar net de meest beslagen, ervaren leerkrachten voor de klas zouden moeten staan. Betaal hen eventueel zelfs ook wat meer, als waardering voor hun inspanningen. Die waardering is trouwens cruciaal: dat leerkrachten overal voor verantwoordelijk zijn en dus ook de zwartepiet krijgen toegeschoven voor alles wat in de samenleving verkeerd gaat, is onzinnig en onterecht.
  • Versterk het kleuteronderwijs, en zet vol in op kleuterparticipatie. Een “kleutercoördinator” aanstellen is een lovenswaardige eerste stap, maar het moet ook verder gaan dan dat: zorg voor bekwame, goed ondersteunde juffen en meesters in kleine, behapbare klassen.
  • Zet in op brede leer- en leefomgevingen, waarin kinderen zich ongeacht hun achtergrond kunnen ontplooien, zowel tijdens de schooltijd als daarbuiten. Maandag stond in De Morgen nog het mooie voorbeeld van vzw Sportaround, dat wekelijks 800 Gentse kansarme kinderen aan het bewegen krijgt. In Gent bestaat er een uitgebreide Brede Schoolwerking, waarin tal van activiteiten (waaronder die van Sportaround) georganiseerd worden.
  • Betrek ouders maximaal bij het schoolgebeuren, ook (en zeker!) als ze een migratieachtergrond hebben. In Gent gebeurt dat al bijna twintig jaar met de brugfigurenwerking, door met tolken te werken, door opvoedingsondersteuning aan te bieden, door conversatietafels Nederlands te organiseren op school, enzovoort.
  • Geld kan veel doen, maar middelen alleen volstaan niet. Kleine inspanningen op klas- en schoolniveau kunnen vaak ook al veel betekenen voor het schoolsucces van een kind, en ook op beleidsniveau kan er nog wel een en ander gebeuren – zonder meteen om een extra zak geld te hoeven roepen.
  • Daarom een oproep aan leerkrachten, beleidsmakers en iedereen die met (kansarme) kinderen en jongeren bezig is: probeer dingen uit, kijk of en hoe ze werken, wissel praktijken en materialen uit, en stimuleer elkaar zo om het steeds beter te doen. Het is hoog tijd om meer en beter samen te werken, over netten, koepels en niveaus heen.
Advertenties

De ene taalfout is de andere niet

De bladeren vallen van de bomen, mutsen en handschoenen worden weer bovengehaald en hier op kantoor vallen de eerste collega’s ten prooi aan virale infecties: ’t is weer herfst! En sinds een paar jaar betekent dat ook dat het weer tijd is voor een onvervalste taaltest, u aangeboden door De Standaard en Radio 1. Tijdens vorige edities wilden ze graag weten hoe Vlaams (2014) of hoe chill (2015) uw Nederlands was – het viel me trouwens op dat de editie van 2014 véél meer stof deed opwaaien dan die van 2015 – en dit jaar wordt er weer lekker uit het vaatje van die typisch Vlaamse ideologische taalgevoeligheid getapt: het gaat over taalfouten.

Wie aan de test deelneemt, krijgt 30 zinnen voorgeschoteld, waarbij de vraag is: “Ergert u zich als u in de krant deze taal- of stijlfout ziet?”. Wie dat voor de 30 zinnen doet, en daarna nog een aantal andere vragen beantwoordt, krijgt vervolgens een score én een profiel: van taalhippie en taaltoerist over taalchampetter tot taalnazi. Die laatste categorie leverde ook de inspiratie voor de naam van de taaltest zelf: die werd – marcherende taalsoldaten incluis – De Grote Taalnazi-test gedoopt.

taalnazi

Doe zelf de test op taaltest.standaard.be.

Dat gebruik van de term taalnazi riep op Twitter al meteen relatief veel discussie op – in die mate zelfs dat Jan Hautekiet vanmorgen op Radio 1 de hoofdredacteur van De Standaard moest bellen om de boel wat te sussen: tuurlijk is het niet de bedoeling om het nazisme te relativeren, of mensen die taalfouten belangrijk vinden te demoniseren. Zelf heb ik ook een beetje een probleem met het begrip, zij het om een andere reden. Zoals Hautekiet & co benadrukken, staat taalnazi inderdaad in Van Dale (voor hen meteen een reden om de term te gebruiken), maar de betekenis daar is:

<minachtend> iemand die voortdurend anderen op hun taalfouten wijst

Dat is toch niet waar de taaltest naar peilt? In de 30 zinnen stonden er zaken waar ik me aan kan ergeren als ik ze in de krant tegenkom, maar dat hoeft niet per se te betekenen dat ik er de journalist in kwestie meteen op zou aanspreken. Soms stoort het me genoeg om er een tweet aan te wijden (doe gerust mee, met de hashtag #zoekdetaalfout!), maar in veel gevallen haal ik de schouders op en lees ik gewoon verder. Ben ik dan een taalnazi of niet? En hoe verhoudt een taalnazi zich bijvoorbeeld tot een (taal)purist? Of tot een ‘taalstroman’, zoals iemand het mooi omschreef op Twitter – iemand die zo gefocust is op taalcorrectheid, dat hij/zij amper aandacht besteedt aan de inhoud?

Nog meer begripsverwarring ontstaat er als je gaat kijken naar wat er zoal onder de term taalfout wordt gevat. Wie de 30 zinnen bekijkt, kan minstens vier onderverdelingen maken:

1. “Klassiekers in het genre” (denk aan noemen/hetendan/alsslaan/slagen(een) beroep doen op, etc.)

2. Grammaticale fouten (een instrument die/dataan zij/hen die lijden, meer mannelijk/mannelijker,…)

3. Spelfouten (koste vs. kosttecreëeren vs. creërenpunt hoofd vs. punthoofd,…)

4. Tikfouten (beokje voor boekje,…)

Daarnaast zijn er ook een aantal gevallen die ik zelfs niet in de bovenstaande categorisering kwijt kan. Stijlkwesties bijvoorbeeld:

 

De kampbewaker zegt niet actief te hebben meegedaan aan de massamoord in Auschwitz. In Auschwitz kwamen bij die massamoord 1,1 miljoen mensen om.

  • Fout
  • Correct: De kampbewaker zegt niet actief te hebben meegedaan aan de massamoord in Auschwitz. In het kamp / Daar / Daarbij kwamen 1,1 miljoen mensen om.
  • Toelichting: dit is een stijlfout. Schrap overbodige woorden. Zie het stijlboek van De Standaard, op 15 oktober bij de krant.

Is dat ook al een fout dan? Akkoord, het zou efficiënter zijn als je dat tweede voorkomen van “in Auschwitz” gewoon zou schrappen, en vanuit stilistisch-esthetisch oogpunt vind ik “in het kamp”, “daar” of “daarbij” ook vlotter klinken, maar als ook dát al een taalfout is, dan zijn we dat begrip wel écht aan het uithollen.

Meer nog: sommige zinnen bevatten niet eens fouten, wat een beetje raar is. Wil men ook onderzoeken of mensen zich ergeren aan vermeende taalfouten? Wordt wel lachen, als die zelfverklaarde taalnazi’s rood aanlopen omdat er in een tekst ‘binnen 30 seconden’ of ‘zo-even’ staat, terwijl dat gewoon lekker correct is!

Persoonlijk erger ik me niet aan iemand die ‘dat aftands flatgebouw’ (zonder buigings-e) of ‘giraffenek’ (zonder tussen-n) schrijft. De onderstaande zin stoorde me dan weer wél, maar wat me nog meer ergerde, was de gebrekkige toelichting die bij die ‘taalfout’ werd gegeven. “Slordig taalgebruik” vind ik erg magertjes als uitleg, en onnodig geringschattend. Waarom wordt hier niet verwezen naar bijvoorbeeld de toelichting van de Taaltelefoon, zoals bij andere gevallen wél gebeurde? Omdat het hier om ‘taalfouten’ gaat die in de geest van de opstellers enkel door jongeren worden gemaakt? Het is niet toevallig de oma die in het onderstaande voorbeeld gebeld moet worden, denk ik dan.

Mag ik u gsm eens even lenen? Ik wil mijn oma bellen.

  • Fout
  • Correct: Mag ik uw gsm eens even lenen? Ik wil mijn oma bellen.
  • Toelichting: slordig taalgebruik

Op de radio, bij Hautekiet (Radio 1), mocht taalprof Peter-Arno Coppen (RU Nijmegen) wat toelichting geven bij de verschillende profielen die uit de taaltest voort bleken te komen, met obligate interviewtjes met voor- én tegenstanders van taalvariatie. Interessant was de vaststelling dat het onderzoek naar een eventueel verband tussen persoonlijkheidskenmerken en gevoeligheid voor taalfouten nog in de kinderschoenen staat. Dat er met deze test een voorzichtige poging wordt gedaan om daar iets aan te veranderen, valt in dat opzicht toe te juichen, al lijkt er bij de taaltest van dit jaar wel geen universitaire partner betrokken te zijn. De toekomstige resultaten zijn dus sowieso met een korrel zout te nemen.

Voor het overige kwam Coppen niet echt veel aan het woord, had ik de indruk. Hij kon weinig meer doen dan vaststellen dat zowel (zelfverklaarde) taalnazi’s als taalhippies bestaansrecht hadden, en dat hun beider meningen er wel mogen zijn. Lekker diplomatisch: elke taal kent wel een norm, en sommigen vinden het belangrijk om zich daaraan te houden, maar anderen niet. Klaar. Twee van Coppens uitspraken zijn wel blijven hangen, en vond ik bijzonder waardevol voor de discussie, al werd er voor de rest niet veel mee gedaan. Ten eerste worden mensen die zich niet al te veel aantrekken van taalfouten vaak geframed in termen van luiheid. Coppen ziet het net als een uiting van efficiëntie: er niet te veel tijd of inspanning in stoppen. Ten tweede benadrukt Coppen dat het altijd weer diezelfde top 20 van clichés is die in dit soort discussies naar boven komt: noemen/heten, als/dan, hen/hun, enzovoort. Dat is echter slechts een fractie van de taalrijkdom waarover we beschikken – waarom zou je je daarop blijven fixeren?

Het opvallende (en tegelijk logische) aan dit soort discussies is dat velen zich betrokken voelen, en dat er erg veel emotie mee gepaard gaat, maar erg weinig rationele argumentatie. Dat is bij deze Taaltest – en de reacties erop – niet anders. Maar dat zo’n test kranten verkoopt, daar twijfel ik geen seconde aan.

De aflevering van ‘Hautekiet’ valt opnieuw te beluisteren via Radioplus. In De Standaard van 14 oktober staat een analyse van de resultaten van de taaltest. En wie nog meer wil: op zaterdag 15 oktober zit bij De Standaard een stijlboek met schrijftips. 

Tussentaalkronkels

Morgen ben ik precies een maand aan de slag binnen het Onderwijscentrum Gent, als deel van het team Onderwijsontwikkeling. Ik mag er bezig zijn met geweldig boeiende thema’s als meertaligheid en OKAN (Onthaalklassen voor Anderstalige Nieuwkomers), die qua maatschappelijke relevantie toch net dat tikkeltje beter scoren dan het thema waar ik de afgelopen zes jaar voor mijn doctoraatsonderzoek mee bezig ben geweest: tussentaal in de klas. Ik had mezelf dan ook voorgenomen om, nu mijn proefschrift geschreven én verdedigd is, het hele tussentaalverhaal maar meteen voor eventjes op te bergen. Op den duur ben je immers – na steeds opnieuw dezelfde discussies – wel uitverteld.

geentussentaal

De kop van het bewuste Over Taal-stuk

Ik heb me dan ook weten in te houden toen er nogal wat reactie kwam op de stukken in de pers naar aanleiding van mijn promotie (een nieuwe job die je voltijds bezighoudt helpt daarbij ook wel), maar op het gisteren verschenen stuk van voormalig collega Albert Oosterhof, waarmee het tijdschrift Over Taal vol uitpakt op zijn website, wil ik wél nog eens reageren. Onder de veelzeggende titel Leraren mogen géén tussentaal gebruiken stelt Oosterhof naar aanleiding van mijn doctoraatsonderzoek vast dat tussentaal “steeds salonfähiger [wordt] als onderwijstaal”, wat voor hem een “problematische ontwikkeling” is. Op zich is dat een te verdedigen standpunt: een van de vaststellingen in mijn proefschrift is inderdaad dat bepaalde omgangstalige kenmerken – met voorop de weglating van de begin-h (ij ‘hij’) of de eind-t (nie ‘niet’) en het gebruik van ge/gij voor ‘je/jij’ – door veel leraren in de klas niet langer als problematisch worden beschouwd, en ik kan me voorstellen dat niet iedereen dat even leuk vindt. Het is trouwens met opzet dat ik zulke kenmerken nu ‘omgangstalig’ noem, en niet ‘substandaardtalig’: op zich is een zin als ge moed u nie aast’n niet minder waard dan de standaardtalige tegenhanger je moet je niet haasten. 

Het hoeft echter geen betoog dat er in de hoofden van veel Vlamingen wél een hiërarchisch onderscheid bestaat tussen beide zinnen: de verwoede pogingen die er tussen de jaren 50 en 80 van de vorige eeuw zijn geweest om de standaardtaal ingang te doen vinden, hebben ertoe geleid dat standaardtaal als de beste, mooiste, meest aangename variëteit wordt beschouwd. Op zich opnieuw geen bezwaar – over smaak valt niet te twisten – maar het wordt wél problematisch als alles wat géén deel uitmaakt van die strakke standaardtaalnorm dan maar meteen als een afwijking geframed wordt.

Laat dat nu net zijn wat zo prominent naar voren komt in Oosterhofs column (het is een stuk van één pagina, onder de noemer Taalkronkels, dus laat ik het maar een ‘column’ noemen): al in de allereerste zin gaat het over “afwijken van de standaardtaalnorm”. Hoewel Oosterhof zelf benadrukt dat hij leraren die tussentaal gebruiken “niet wil afbranden”, is dat exáct wat hij in het stuk doet. Hoe valt de bewering dat tussentaalsprekende docenten “vluchtelingen in de eigen taal [zijn] en opgevangen moeten worden” anders te interpreteren? Dat is in mijn ogen een bijzonder grove geringschatting van het taalgebruik van bijzonder veel Vlaamse leerkrachten, die er zich wel degelijk van bewust zijn dat er Standaardnederlands van hen verwacht wordt, maar die ervoor kiezen om zich primair te focussen op de inhoud van hun lespraktijk, eerder dan op de vorm. Natuurlijk zou het in een ideale wereld en-en moeten zijn, maar de lesuren in een lerarenopleiding zijn beperkt, en het pakket te behandelen lesthema’s blijft maar toenemen – dan kan ik me perfect voorstellen dat er weinig tijd overblijft om gericht aan gesproken standaardtaalbeheersing te werken.

Het heeft mij enige tijd gekost om een gefundeerd antwoord te vinden op de vraag of leraren voor mij tussentaal mogen spreken of niet. Als lesgever in een opleiding Nederlands was het ex officio mijn plicht om het belang van gesproken Standaardnederlands te benadrukken (en dat deed ik dan ook nadrukkelijk en vol goede moed), maar als onderzoeker kwam ik terecht in tal van klaslokalen waarin op een veel lossere, meer open manier met taalgebruik en taalvariatie werd omgesprongen. Het heeft me tot een erg pragmatische houding gebracht: dat er in de klas ook taalvarianten te horen zijn die niet aan de strikte definitie van Algemeen Nederlands voldoen, lijkt mij geen probleem, op voorwaarde dat het taalgebruik dat de leraar hanteert (1) verstaanbaar is voor alle leerlingen, en (2) hun niet – op positieve of negatieve wijze – opvalt. Dat het eerste element van belang is, lijkt me vanzelfsprekend: bij leerlingen die niet kunnen begrijpen wat hun leraar zegt, komt het leerproces immers in gevaar. Het is echter niet zo dat alleen Standaardnederlands voldoet aan het selectiecriterium ‘verstaanbare vormen van Nederlands’, zoals sommige behoeders van de standaardtaal durven te stellen. Het tweede element vereist misschien wat meer uitleg, want of taalgebruik (niet-)opvallend is, dat is een erg subjectief criterium (net als verstaanbaarheid trouwens, maar goed). Tijdens mijn onderzoek heb ik leerlingen weleens horen praten over leerkrachten die continu in het lokale dialect lesgeven, terwijl die leerlingen – zelfs als de verstaanbaarheid niet in het gedrang komt – vinden dat dat toch wel écht niet past binnen een klascontext. Op zulke momenten gaan ze eerder op het taalgebruik letten dan op de lesinhoud, en dan krijg je (potentieel) wél problemen.

Zolang er echter aan beide criteria voldaan is, dan is het wat mij betreft prima. In veel gevallen betekent dat dat het lokale dialect minder geschikt of gewoon ongeschikt is om les in te geven – tenzij in een aantal specifieke contexten. Om een humoristisch effect te bereiken bijvoorbeeld, zoals Oosterhof zelf aanhaalt, maar zoals ik vorig jaar in dit stukje schreef, zijn er nog wel een paar voorbeelden te bedenken. Maar hoeveel situaties zijn er waarin enkel standaardtaal kan? Waarin mijn pragmatische criteria van verstaanbaarheid en niet-opvallendheid onvoldoende zijn? Oosterhof brengt er slechts eentje in stelling: dictees. Daar is het inderdaad problematisch als er eens een eind-t of een begin-h uitvalt, of als een goedbedoelende West-Vlaming het over een hlad wehdek ‘glad wegdek’ heeft – maar ik mag hopen dat leraren voldoende geprofessionaliseerd zijn om dat zelf ook te beseffen, en in te grijpen als zou blijken dat hun leerlingen daardoor systematische spellingproblemen hebben.

Alleen: is die ene context wel genoeg om – zoals in de titel gebeurt – te concluderen dat leraren dan maar gewoon géén tussentaal kunnen of mogen gebruiken? Oosterhof doet wat lacherig over wat hij mijn ‘compassie-argument’ noemt (in het kort: de idee dat Vlamingen door al die standaardtaalfixatie weer gaan twijfelen aan zichzelf en hun taalbeheersing), en misschien heeft hij wel een punt: ik betwijfel dat er veel leraren wakker liggen van hun al dan niet standaardtalige taalgebruik in de klas – en maar goed ook. Het enige wat hij daartegenover echter in stelling brengt, is een weinig subtiel verwoord hellendvlakargument:

“Het standpunt dat leraren mogen spreken zoals ze willen, opent de deur niet alleen voor tussentaal, maar ook voor andere variëteiten in Vlaanderen én Nederland. Bijvoorbeeld voor Poldernederlands, dialecten, etnolecten. Dan ga ik hun weer als onderwerp gebruiken en is het ook prima als een docent het heeft over ‘de meisje’.”

Het is een klassieke drogreden in de wondere wereld van het standaardtaal-of-tussentaaldebat: waar gaat dat eindigen, als we dit toelaten? Om zijn punt te maken, sleept Oosterhof er nog een paar notoire klassiekers in het genre bij, zoals het eeuwige noemen-versus-heten of het gebruik van hun als onderwerpsvorm, maar ook hier geldt: als het verstaanbaar is en niet opvalt, is er wat mij betreft geen bezwaar. ‘Verstaanbaarheid’ en ‘opvallendheid’ lijken me trouwens (didactisch) nuttigere labels dan ‘standaardtaal’ of ‘tussentaal’ (want daartussen valt toch geen gedegen onderscheid te maken, en zowat iedereen mengt de twee door elkaar), én bieden je als leraar de gelegenheid om in discussie te gaan met je leerlingen over heldere communicatie, en wat daar allemaal bij komt kijken. Kijk, meteen een mooie lestip erbij.

[Persbericht] Tussentaal in de klas: geen probleem voor leerkrachten

Het onderstaande persbericht verscheen op 31 augustus 2016 op de website van de Universiteit Gent, naar aanleiding van de openbare verdediging van mijn proefschrift op 1 september 2016.

(31-08-2016) Leerkrachten hebben uiteenlopende redenen om in de klas (bewust) tussentaal te gebruiken. Dat blijkt uit het doctoraatsonderzoek van Steven Delarue, die 82 Vlaamse leerkrachten uit het basis- en secundair onderwijs observeerde en interviewde.

“Ebde da nie voorbereid? Dan moogt ge ‘t ook morgen indienen!” De gemiddelde Vlaamse leraar gebruikt vaak tussentaal in de klas, tegen de verwachtingen van de maatschappij en de overheid in. Leerkrachten zijn er zich wel degelijk van bewust dat er Algemeen Nederlands van hen verwacht wordt, maar halen verschillende redenen aan om in bepaalde situaties toch tussentaal of dialect te hanteren.

Toch geen standaardtaal in de klas: zeven redenen

1.    De leerlingen. Leraren denken dat hun leerlingen hen zullen uitlachen als ze standaardtaal spreken, of er opmerkingen over zullen maken. Sommigen vinden ook dat er geen reden is om per se aan standaardtaal vast te houden, als de leerlingen het ook niet doen.

2.    De leraar zelf. Leraren geven aan dat ze soms gewoon te moe of te gestrest zijn om echt op hun taalgebruik te letten.

3.    De klascontext. Leraren passen hun taalgebruik aan om meer interactie te creëren met hun leerlingen. Standaardtaal wordt daarvoor als onvoldoende spontaan, dynamisch of onpersoonlijk beschouwd.

4.    Hiërarchie in het takenpakket. De maatschappij verwacht steeds meer van leraren: ze moeten leerlingen burgerschap bijbrengen, maar ook financiële geletterdheid en verkeersopvoeding. Goed lesgeven is daarom voor leraren vaak belangrijker dan goede standaardtaal spreken. De inhoud primeert op de vorm, en als het dan toch over de vorm gaat, letten de meeste leraren meer op spelfouten in geschreven teksten, dan op taalfouten in gesproken taalgebruik.

5.    Perceptie van standaardtaal. Voor veel leraren komt standaardtaal arrogant of verwaand over. Ze vrezen dat ouders en leerlingen daardoor een verkeerd beeld van hen zullen krijgen.

6.    Bredere standaardtaalnorm. Sommige leraren verbreden hun definitie van Algemeen Nederlands, om er zo voor te zorgen dat hun taalgebruik in de klas eigenlijk ook als standaardtaal kan worden beschouwd. Als het geen dialect is bijvoorbeeld, of als er maar geen grammaticale fouten in zitten, dan is het standaardtaal.

7.    De samenleving. Ook buiten de school wordt amper standaardtaal gesproken, behalve in de nieuwsstudio’s. Als er in de media steeds meer tussentaal wordt gesproken, waarom dan niet in het onderwijs?

Taalgebruik in de klas varieert

Volgens taalwetenschapper Steven Delarue is het normaal dat het taalgebruik van een leerkracht varieert:”Leerkrachten komen tijdens het lesgeven in tal van verschillende situaties terecht. Elk van die situaties brengt voor veel leraren een ander taalgebruik met zich mee. Zo kan een leraar eerst een stuk theorie uit het handboek uitleggen in iets wat dicht bij standaardtaal aanleunt, daarna die theorie illustreren met een zelfgekozen voorbeeld in een wat tussentaliger taalgebruik, en tussendoor de klas even tot de orde roepen met een welgemikte zin in het dialect.”

Focus op standaardtaal in taalbeleid

In het taalbeleid van de overheid is er echter weinig tot geen ruimte voor nuance als het over het taalgebruik in onderwijscontexten gaat. Zo schreef voormalig minister van Onderwijs Frank Vandenbroucke in zijn talenbeleidsnota dat er in de klas enkel plaats is voor het Standaardnederlands. Uit het UGent-onderzoek bij leerkrachten uit het basis- en secundair onderwijs blijkt dat leraren dat beleid tot op zekere hoogte onderschrijven: bijna allemaal benadrukken ze het belang van standaardtaal, en geven ze aan dat leraren Algemeen Nederlands zouden moeten spreken in de klas. Dat is ook het beleid dat de meeste scholen uitdragen in hun schoolreglement, of in hun eigen schooltaalbeleid.

Naar een aangepast, open taalbeleid

De wat dubbele houding van Vlaamse leraren ten opzichte van het taalbeleid van de overheid toont voornamelijk aan dat ernood is aan een beleid dat rekening houdt met de specifieke kenmerken van het Vlaamse onderwijs.
Steven Delarue: “In beleidsteksten wordt nu enkel ruimte voorzien voor het Standaardnederlands in schoolcontexten, terwijl tussentaal en dialect erg negatief gekarakteriseerd worden. Het beleid houdt echter geen rekening met de erg verschillende situaties waarin leraren – en leerlingen – elke dag opnieuw terechtkomen, en de grote variatie in taalgebruik die daar logischerwijze uit volgt. Zeker nu het aantal meertalige leerlingen ook blijft toenemen, is het zaak om werk te maken van eenopen, niet-veroordelend taalbeleid, niet alleen ten opzichte van taalvariëteiten binnen het Nederlands, maar ook wanneer het over andere talen gaat.”

Natuurlijk hoeft dat niet te betekenen dat het Standaardnederlands volledig overboord moet worden gegooid, of dat tussentaal vanaf nu de norm moet worden. “Een goed taalbeleid moet duidelijk, zinvol en haalbaar zijn. Nu is er bijvoorbeeld nog te veel onduidelijkheid over wat nu eigenlijk standaardtaal is en wat niet, en wordt alles wat geen standaardtaal is zomaar verketterd. Leerkrachten zouden de kans moeten krijgen om zelf te bepalen wat voor taalgebruik ze van leerlingen verwachten. Dat hoeft dan niet altijd en overal standaardtaal te zijn, maar kan afhangen van de specifieke situatie: standaardtaal tijdens een presentatie, maar een tussentaligere variant tijdens groepswerk, bijvoorbeeld. Op die manier worden leerlingen registervaardig: ze kunnen hun taalgebruik aanpassen aan de situatie. Bovendien hoeven leraren zich niet langer onder druk gezet te voelen als het over hun taalgebruik gaat. Die aandacht kunnen ze misschien beter besteden aan het halen van hun pedagogische doelen.”

Doctoraatsverdediging op 1 september

Op donderdag 1 september, om 10.30 uur, verdedigt Steven Delarue zijn proefschrift “Bridging the policy-practice gap. How Flemish teachers’ standard language perceptions navigate between monovarietal policy and multivarietal practice” in de Aula (Voldersstraat 9) in Gent, met het oog op het behalen van de titel van Doctor in de Taalkunde. De verdediging is openbaar, en vrij toegankelijk voor alle geïnteresseerden.

Publieke verdediging proefschrift: donderdag 1 september

Afgelopen vrijdag, op 1 juli, heb ik mijn proefschrift intern verdedigd. Daarna heeft de jury me unaniem toegelaten tot de publieke verdediging van mijn proefschrift – wat betekent dat ook jij de kans krijgt om kennis te maken met de resultaten van m’n doctoraatsonderzoek en er desgewenst ook kritische (of niet zo kritische) vragen over kan stellen. De publieke verdediging van mijn proefschrift, onder de titel Bridging the policy-practice gap. How Flemish teachers’ standard language perceptions navigate between monovarietal policy and multivarietal practice, vindt – bijzonder toepasselijk – plaats op de eerste dag van het nieuwe schooljaar, donderdag 1 september 2016. Als locatie heb ik gekozen voor de statige Aula Academica van de universiteit, in de Voldersstraat 9 (Gent). De verdediging start om 10u30 (stipt!) en duurt ongeveer tot 12u15-12u30. Daarna volgt nog een receptie voor de genodigden. Zin om aanwezig te zijn? Neem dan per mail contact met me op, graag vóór 26 augustus. Hopelijk tot dan!

Meer informatie is hier terug te vinden, en ook op de website van de UGent.

img_42_20120614135046

D-day

1 juni 2016 stond in mijn agenda met stip aangeduid als D-day – waarbij de D in dit geval stond voor doctoraat. Het is een datum waar ik vaak reikhalzend naar heb uitgekeken, maar die er bij momenten ook wel eens té snel dreigde aan te komen. Gelukkig is het uiteindelijk allemaal in orde gekomen, en wordt mijn proefschrift straks officieel neergelegd op de faculteitsraad van deze namiddag.

CjyiUAuW0AA5k3l

Geen zorgen: deze vrij kleurloze eerste versie wordt, bij goedkeuring van de examencommissie na de eerste verdediging, ingeruild voor een fraaier boekexemplaar

Het proefschrift, onder de ronkende titel Bridging the policy-practice gap. How Flemish teachers’ standard language perceptions navigate between monovarietal policy and multivarietal practice, bestaat uit zes artikelen, die ofwel gepubliceerd zijn, ofwel ingestuurd naar internationale tijdschriften. Dat internationale karakter verklaart ook meteen waarom mijn proefschrift goeddeels in het Engels werd geschreven: het aantal hooggerankte taalkundige tijdschriften in het Nederlands is helaas op één hand te tellen – of eerder op één vinger, want er is er maar eentje. Dat betekent ook meteen dat er één Nederlandstalig stuk in mijn proefschrift zit, vergezeld van vijf Engelstalige – waardoor het logischer werd om de omringende hoofdstukken ook maar meteen in het Engels te schrijven, zelfs al gaat het proefschrift over de percepties van Vlaamse leerkrachten ten aanzien van het Standaardnederlands. Op die manier kunnen ook buitenlandse collega’s inzicht krijgen in de Vlaamse situatie, die toch als een intrigerende context kan worden beschouwd: over heel Europa zijn standaardtalen onderhevig aan veranderingen en komen er andere, dynamische vormen van taalgebruik voor, maar Vlaanderen moet wel de regio zijn met de hoogste ideologische gevoeligheid voor de standaardtaalvariëteit, en dat zorgt steevast voor vuurwerk en bijwijlen grimmige debatten. Meteen ook de reden waarom ik indertijd voor dit specifieke thema heb gekozen.

Vanaf nu wordt het iets rustiger, wat betekent dat ik – eindelijk! – opnieuw wat meer tijd kan maken voor het schrijven van blogstukken, het lezen van boeken (er ligt een stapel klaar) en het verbeteren van de berg scripties en examens die zich op m’n bureau aan het vormen is. Intussen gaat m’n proefschrift richting de leden van de examencommissie. Stay tuned!

Van ‘hun hebben’ tot ‘op je sjtrepen staan’: de taalkundige relevantie van Mijn Pop-Uprestaurant

Wie mij een beetje kent, weet het al, maar voor de anderen even een kleine bekentenis: ik ben een grote fan van reality-tv. De afgelopen weken en maanden werd ik dan ook op m’n wenken bediend, met De Mol (Vier) op maandag, Temptation Island (Vijf) op woensdag en een nieuw seizoen van Mijn Pop-Uprestaurant (vtm) op dinsdag en donderdag. Elke dag iets om naar uit te kijken na alweer een veel te lange werkdag (dat doctoraat schrijft helaas zichzelf niet) – de guilty pleasures volgen elkaar in ijltempo op.

Maar nu heb ik een reden gevonden om me niet meer guilty te voelen bij zoveel realitygeweld: die programma’s zijn immers taalkundig bijzonder interessant. Dit semester bestuderen een aantal studenten in het kader van hun bachelorproef het (standaard)taalgebruik in formele en, euh, minder formele tv-programma’s, om zo na te gaan of er opmerkelijke verschillen opduiken. Komen er in informele tv-programma’s bijvoorbeeld opvallend minder deleties van begin-h (ij eeft voor hij heeft) of eind-t (nie voor niet) voor dan in formele programma’s? Hoe frequent wordt een expletief dat gebruikt (Ik weet niet of dat hij dat gezien heeft)? Als zou blijken dat dergelijke ‘typische’ tussentaalkenmerken het ook tot in formelere programma’s (genre TerZake of De Afspraak) weten te schoppen, dan zegt dat veel over de evolutie van het Nederlands in Vlaanderen: het zou kunnen betekenen dat de standaardtaalnorm breder wordt, of dat er zich naast de ‘formele’ standaardtaal ook een ‘informele’ standaardtaal aan het vormen is.

mijn-pop-uprestaurant_wit

Realitykijkvoer op dinsdag én donderdag (Bron: Medialaan)

Mijn Pop-Uprestaurant is een van de vier ‘informele’ programma’s die bestudeerd worden. Over het taalgebruik van Amanda, Jan en Miette – de drie personen die we van naderbij bekijken – zal ik het later nog wel eens hebben, maar in Pop-Up duikt er nog veel meer taalkundig fraais op. Een week of twee geleden hoorde ik Sven, de sympathieke kok van de Grieks-Genkse pop-up Kommáti, opeens ‘hun hebben’ gebruiken, met het gebruik van ‘hun’ als onderwerp.

Opvallend, want hoewel ‘hun’ in Nederland erg frequent wordt gebruikt als subject (maar nog steeds afgekeurd wordt), hoor je het in Vlaanderen zo goed als nooit. Sven was de eerste Vlaming die ik het ‘in het wild’ hoorde gebruiken – al wist een collega me kort erna te vertellen dat José De Cauwer, ex-wielrenner en huidig wielercommentator bij de vrt, het ook frequent bezigt. Als dat klopt, valt dat nog vrij eenvoudig te verklaren: De Cauwer reed jarenlang bij Nederlandse wielerploegen, en was – toch volgens Wikipedia – jarenlang de persoonlijke helper van Hennie Kuiper. Hoe Sven, de kokende ‘Minion’ uit Brasschaat, bij ‘hun hebben’ terecht is gekomen, blijft vooralsnog echter een raadsel.

media_xll_8410823

De zes duo’s van Mijn Pop-Uprestaurant 2016 (Foto: Medialaan)

In de aflevering van gisteren was het alweer bingo, en nog maar eens in Genk: in L’Oro Nero, het Italiaanse pizza-en-cocktailrestaurant van Giordano en Myrthe, liep het helemaal fout in de keuken. Giordano snauwde z’n personeel af, gelardeerd met een paar fucking’s hier en daar (naar het goeie voorbeeld van jurylid Sergio Herman), en maakte zichzelf er zo niet meteen sympathieker op…

Wat echter vooral opviel: door al die ongebreidelde emotie kwamen er opeens verschillende kenmerken van het Cités bovendrijven, een soort straattaal die in de tweede helft van de vorige eeuw ontstond in Limburg, uit de mengtaal die de uit Italië, Turkije en Griekenland geïmporteerde mijnwerkers gebruikten om met elkaar te kunnen communiceren. Nu is het vooral de taal van de jongeren uit de cités, de arbeiders- en migrantenwijken in de steden. Over dat Cités valt bijvoorbeeld hier of hier meer te lezen, en hier hoor je linguïste Stefania Marzo er meer over vertellen, maar één van de opvallendste kenmerken ervan is de uitspraak van de begin-s als sj-, op voorwaarde dat er een of meer medeklinkers op volgen. Stijl wordt dan bijvoorbeeld sjtijl.

Nu deed Giordano dat in vorige afleveringen ook wel al, maar in de aflevering van gisteren viel het wel héél erg op. Ook op Twitter, zo bleek, want ondanks het feit dat de sj-klank gebruikt wordt door een immer groeiend aantal Limburgse jongeren én het populaire personage Smos uit de vtm-reeks (en -film) Safety First, wordt Giordano er opeens wel erg nadrukkelijk op afgerekend:

Terwijl Smos de sj-klank weet te gebruiken om gevoelens van gezelligheid en sympathie op te roepen, ook bij niet-Limburgers, gaat het bij Giordano compleet de andere kant uit: kijkers associëren zijn sjtijl vooral met arrogantie en misplaatst egocentrisme. Zo gaat het trouwens wel vaker met opvallende (‘saillante’) taalkenmerken: net omdat ze zo herkenbaar en prominent zijn, kunnen ze meerdere functies hebben. Zo is een West-Vlaming die zijn g’s en h’s verwart misschien wel authentiek en gezellig in Eigen Kweek of Bevergem, maar toch veeleer een lompe boer in pakweg Het Journaal of De Zevende Dag. Nu nog uitvissen in welke categorie Marvin van Temptation Island thuishoort.