Hun zijn weer aan het zeuren

Viel me dat even lelijk tegen, toen ik deze ochtend De Morgen opensloeg. Dan denk je geabonneerd te zijn op een progressieve krant, krijg je meteen een zure oprisping van hoofdredacteur Bart Eeckhout op je bord. De oorzaak van z’n slechte humeur bleek Hans Bennis te zijn, de recent aangestelde algemeen secretaris van de Taalunie. In een boeiend interview in De Volkskrant had Bennis het immers aangedurfd te beweren dat een constructie als ‘hun hebben’ niet alleen een onproblematische ontwikkeling is – taal evolueert nu eenmaal – maar zelfs een taalkundige verbetering.

De redenering daarachter is relatief simpel: omdat ‘hun’ sowieso naar personen verwijst, terwijl de standaardtalige vormen ‘ze’ en ‘zij’ zowel op personen als op objecten kunnen slaan, creëert het gebruik van ‘hun’ als onderwerp net extra duidelijkheid. In het bijzonder fijne boekje ‘Taal’, dat ik vorig jaar voor Over Taal recenseerde, schreef taalkundige Sterre Leufkens er ook nog over: eigenlijk is iets als ‘hun hebben’ net een erg slimme taalinnovatie – die overigens al in 1911 voor het eerst werd geattesteerd. Wie ontsteld uitroept “dat hun weer aan de kapstok hangen”, maakt bijvoorbeeld meteen duidelijk dat het niet louter de jassen zijn die aan de kapstok hangen, maar dat het je kinderen zijn die wellicht de boel aan het slopen zijn.

Nu, daar heeft hoofdredacteur Eeckhout geen oren naar. In zijn zure commentaarstuk meent hij dat ze ze “niet helemaal op een rij” hebben bij de Taalunie, want eigenlijk “zou het geen overbodige luxe mogen zijn dat we ook in onze taalbeheersing een paar regels blijven respecteren. Dat is inderdaad geen kwestie van grammaticale noodzaak, wel van wederzijds respect.” Wat er zo respectloos is aan een ‘hun’ als onderwerp is me niet helemaal duidelijk – in dat opzicht heb ik me eigenlijk wat meer geërgerd aan zijn gebruik van ‘opgesodemieterd’ in de slotzin van z’n stuk, maar goed.

Een andere passage maakt echter zonder meer duidelijk hoe deze discussie opnieuw terug te brengen valt op een vrij elitaire visie op taal en taalnormen (zie ook wat ik daarover eind vorig jaar op Knack.be schreef) – daarmee zet Bart Eeckhout zich overigens pal op dezelfde lijn als z’n collega Joël De Ceulaer, die hem vanmorgen op Twitter alvast volmondig gelijk gaf. Eeckhout schrijft:

Het is ons droef te moede dat de Taalunie integendeel de poorten almaar meer open schijnt te zetten voor fout, schabouwelijk taalgebruik, wellicht vanuit de misbegrepen democratiseringsgedachte dat de taal van iedereen moet zijn. (…) Maar hier wensen we toch de grens te trekken. De enige zin waarin wij ‘hun hebben’ tolereren is in combinatie met ‘hun houden’. En voorts opgesodemieterd met je lijpe ‘hun hebben’.

Aan het bovenstaande citaat zouden discoursanalytici een flinke kluif hebben. Er is het opvallende gebruik van de meervoudsvorm ‘we’, kwestie van de indruk te wekken dat je een grote groep boze taalliefhebbers rond je verzameld hebt. Er is de bewering dat de Taalunie volledig autonoom bepaalt hoe het Nederlands en de standaardtaalnorm zich ontwikkelt. Er is blijkbaar ook een blind geloof in de maakbaarheid van taal, waarbij de elite wel zal bepalen hoe ons Standaardnederlands er kan en zal uitzien, want de taal is toch wel niet van iedereen zeker? En als de Taalunie de grens niet kan bewaken, dan zullen wij van De Morgen het wel doen: tot hier en niet verder!

Een bizarre houding vind ik dat. Niet alleen omdat het natuurlijk onzinnig is om te denken dat je op die manier taaldynamiek en -evolutie kunt tegenhouden, maar ook omdat meneer de hoofdredacteur op pagina 2 met veel poeha een constructie als ‘hun hebben’ weghoont, terwijl een van zijn journalisten op pagina 3 een fraai en genuanceerd stuk schrijft, waarin professoren Johan De Caluwe (UGent) en Wim Vandenbussche (VUB) benadrukken dat het erg onwaarschijnlijk is dat die constructie in Vlaanderen even alomtegenwoordig zal worden als in Nederland. Het verzet van Eeckhout is dan ook puur symbolisch, en gericht tegen een veel breder ‘probleem’ van gepercipieerde taalverloedering, en het is net die bijzonder negatieve framing die mij stoort.

Zelf heb ik zes jaar lesgegeven in de opleiding Nederlands van de Universiteit Gent, en jaar na jaar heb ik mijn studenten hartstochtelijk proberen te overtuigen van het belang van taalzorg en correct taalgebruik. Alleen raak je er dan niet als je “de taal is niet van iedereen” en “tot hier en niet verder” begint te scanderen – je moet net laten zien hoe dergelijke normen en regels tot stand komen, hoe relatief ze zijn, hoe gevoelig ze soms liggen. En hoe de taalrealiteit buiten het leslokaal zich eigenlijk niets van die regels aantrekt. Veel van mijn studenten droomden ervan om journalist te worden, en ik heb hun op het hart gedrukt dat hun vlotte pen er dan wel eentje zonder taalfouten zou moeten zijn. Alleen helpt het dan niet als je in De Morgen (en in elke andere krant) op frequente basis pakweg het niet-standaardtalige gebruik van hypothetisch moest tegenkomt, of als wanneer het eigenlijk dan moet zijn, of het af te keuren gebruik van mits als voorzetsel. Stuk voor stuk dingen waar de Taalunie wél streng over is, maar in die gevallen is het dan blijkbaar net De Morgen dat voor “fout, schabouwelijk taalgebruik” kiest.

Gelukkig is er nog Hans Bennis om ons gerust te stellen: “Er is niemand die de taal om zeep wil helpen.” Oef.

Meer lezen?

Op 24 februari vond in Leiden het boeiende symposium Goede redenen voor foute taal plaats, met als centrale vraag: bestaat dat eigenlijk wel, foute taal? De aanwezige taalwetenschappers vonden alvast van niet, en toonden overtuigend aan dat sommige ‘taalfouten’ eigenlijk heel vanzelfsprekend zijn. In de recentste editie van Taalunie:Bericht, de nieuwsbrief van de Taalunie, lees je er een mooi verslag over – waarbij ook wordt doorgelinkt naar een aantal andere stukken over hetzelfde symposium.

De Taalunie reageerde ondertussen ook al zelf op de hetze over ‘hun hebben’, naar aanleiding van het interview met Hans Bennis in De Volkskrant.

 

 

Advertenties

7 gedachtes over “Hun zijn weer aan het zeuren

  1. ‘Taal is ook maar een mening’, zei Peter-Arno Coppen op het symposium ‘Goede redenen voor foute taal’. Ik hoop zo dat zijn presentatie snel online komt. Heel dit debat is daar een uitstekende illustratie van.
    Wie overigens echt wil weten hoe de Nederlandse Taalunie omgaat met de taalnorm, hoe de taaladviezen op hun website tot stand komen en wie nu eigenlijk beslist of een uiting standaardtaal is of niet, die wil ik dat met veel plezier eens komen uitleggen. Met wat blikjes achter die hèèl geheimzinnige schermen 😉 Of je kunt mijn artikel hierover lezen in het eerste nummer van Over Taal in 2017. Waarschuwing: ik vertel wel enkel hoe het nu gebeurt, niet wat ik daarvan vind. Dat vind ik zelf namelijk compleet irrelevant.

  2. Het siert je, beste Steven, dat je blijft denken dat taalverkramptheid een “rechts” verschijnsel zou zijn. Maar je dwaalt. Denk maar aan mensen als Zinzen. De Morgen is evenzeer ziek aan de verkavelingsvlaamsobsessie als De Standaard. En als veel (gelukkig meestal oudere) Vlaamse intellectuelen die menen dat hun met veel moeite en vruchteloos aangeleerde ABN de norm moet zijn en blijven voor het “ontaaltje” van “de Vlamingen” waarvoor ze allemaal een grondig misprijzen delen.
    Vandaar ook mijn aansporing van lang geleden: als jullie jonge taalwetenschappers scheldtermen als “verkavelingsvlaams” of “tussentaal” blijven gebruiken, nemen jullie eigenlijk de terminologie van die groot-Nederlandse taalfanaten over. Kas Deprez draait zich om in zijn graf.

  3. Het opiniestuk van de Bart is een gepeperde kritiek op de ‘nieuwe visie’ van de nieuwe directeur van de Nederlandse Taalunie, dat wel. Toch vind ik die kritiek inhoudelijk zeer terecht, vooral vanuit het oogpunt van de opdracht van deze intergouvernementele organisatie m.b.t. het in stand houden en (verder) ontplooien van het Nederlands als gemeenschappelijke ‘standaard’ taal voor Vlaanderen, Nederland en Suriname. Dat doe je dus alvast niet met het vrijblijvend oplaten van taalballonnetjes die juist het tegengestelde effect kunnen opwekken: in Vlaanderen “zij schrijven hun een brief”, in Nederland “hun schrijven hun een brief” en in Suriname misschien wel – en wat zou hen nog beletten? – “hun schrijven hen een brief”.

    De directeur van voormelde organisatie gaat evenwel nog een stapje verder in de aan zijn opdracht tegengestelde richting : hij speelt solo slim en zet fundamentele onderdelen van de grammatica van het Nederlands op losse schroeven door als ‘gezaghebbende’ spreekbuis voor Vlaanderen, Nederland en Suriname in algemene zin – en aldus ook zichzelf lelijk tegensprekend – te stellen dat ‘naamvallen’ in het Nederlands niet meer functioneel zijn en dat daarom de onderwerpsvorm (naamval: nominatief) 3de persoon mv. van het persoonlijke vnw. “zij” mag (maar niet moet) worden vervangen door de (indirecte) complementsvorm (naamval: datief) “hun” maar vooralsnog niet mag /kan worden vervangen door de (directe) complementsvorm (naamval: accusatief) “hen”.
    Reden? Joost mag het weten, zoals Joost ook wel zal weten waarom dit soort vervanging bij de andere onderwerpsvormen van de persoonlijke voornaamwoorden dan niet mogelijk zou zijn of wenselijk zou worden geacht? Bv. in “ons schrijft hun een brief'” of “hem schrijft haar een brief” of “haar schijft hem een brief”.

    De ‘argumentatie’ dat de vervanging van de onderwerpsvorm 3de persoon mv. “zij” (dat zowel op personen als op dieren en zaken kan slaan) door de (indirecte) complementsvorm “hun” een taalvoordeel zou opleveren omdat het duidelijk(er) zou maken dat het om ‘personen’ gaat, raakt kant noch wal.

    Ten eerste omdat ik echt niet zie of voel waarom dit ‘voordeel’ enkel bij de vervanging van de onderwerpsvorm “zij” door de indirecte complementsvorm “hun” zou optreden maar niet bij de vervanging door de directe complementsvorm “hen”? Bovendien maakt dergelijk onderscheid meteen ook de Nederlandse grammatica ingewikkelder en dus lastiger: “hun” voor personen maar “zij” voor dieren en zaken. Dus ‘hun (de kinderen) staan op de wei’ maar ‘zij (de ezels en/of de stallen voor de ezels) staan op de wei’. Goed onthouden en opletten voor foutjes en misverstandjes, beste jongens en meisjes (alzo sprak de leraar Nederlands)!

    Ten tweede omdat ik mij afvraag waarom de vervanging van de onderwerpsvormen 3de persoon enkelvoud “hij” / “zij” (die eveneens zowel op personen als op dieren en zaken kunnen slaan) door de respectieve complementsvormen “hem” / “haar” dan ook niet meer duidelijkheid zou kunnen brengen en dus een argument zou kunnen zijn om maar meteen ook die vervanging door te voeren ? Uiteraard dan wel met dezelfde verzwaring van de complexiteit van de Nederlandse grammatica: ‘hem/haar (de man/vrouw) staat op de straat’ maar ‘hij (de auto) staat op de straat’.

    Ten derde omdat het gebruik van de indirecte complementsvorm “hun” als vervanger van de onderwerpsvorm “zij” van het persoonlijk vnw. 3de persoon mv. nog een bijkomende grammaticale moeilijkheid en tevens een verzwakking van de expressieve kracht en van de communicatieve efficiëntie van de Nederlandse taal oplevert aangezien “hun” eveneens optreedt als vorm voor het bezittelijk vnw. 3de persoon mv.
    Een zin als ‘hun schrijven dat hun schrijven goed werd ontvangen’ bereikt dan stilaan wel een creools kafkaiaans niveau.

    Zou het dan dat zijn wat de nieuwe directeur van de Nederlandse Taalunie op het oog heeft met “meer plezier in taal”? Beseft die taalgeleerde man wel wat de impact is van zijn vrijblijvend opgelaten taalballonnetjes? En vooral: beseft die man wel dat geen enkele ‘bedrijfsleider’ zich een dergelijk flagrant publiekelijk relativeren en onderuithalen van de kerntaken van zijn (multinationale) organisatie zou kunnen veroorloven, zonder het risico te lopen op staande voet te worden ‘ontlast’ van zijn opdracht?

  4. Met plezier gelezen. Leuke slotzin. Voor mijn gevoel gaat het bij taal om 1) het observeren van veranderingen in taalgebruik, 2) om het begrijpen en kaderen van die veranderingen en 3) om die veranderingen te beschrijven. Afspraken over taalgebruik (ook wel voorschriften genoemd) komen achteraf en pas dan wanneer blijkt dat de vorige afspraken het huidige taalgebruik in onvoldoende mate weergeven.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s