‘Aandacht voor taal is een zaak voor elk schoolvak, niet enkel voor de leraar Nederlands’

Begin deze week kondigde Katholiek Onderwijs Vlaanderen aan dat er vanaf september 2019 een nieuw vak ‘Mens en samenleving’ zou komen, ten koste van een uur Nederlands per week. Dat leverde veel negatieve reacties op, maar ik dacht vooral: moeten we eigenlijk nog steeds blijven denken in termen van 2 uur per week voor vak X en 4 uur per week voor vak Y? Er komen nu immers net nieuwe eindtermen, die zeer open, flexibel en ambitieus zijn – maak daar dan gebruik van. Vandaar: een opiniestuk van mijn hand, geschreven vanuit de redactie van Fons, het tijdschrift voor didactiek Nederlands dat ik samen met collega Heleen Rijckaert trek en dat we stapsgewijs ook willen uitbouwen tot een echte vakvereniging voor leraren Nederlands. Het opiniestuk verscheen ook op de website van Knack.

‘Leraren Nederlands hoeven zich niet bedreigd te voelen’, schrijven Steven Delarue en Heleen Rijckaert, hoofdredacteurs van Fons. ‘Flexibiliteit en openheid geeft hen net kansen om buiten de grenzen van het vak te treden. Aandacht voor taal in alle schoolvakken levert voor iedereen voordelen op’, menen ze.

Nog één week voor het nieuwe schooljaar van start gaat, en dan raakt alles wat enigszins met onderwijs te maken heeft nog nét dat tikkeltje makkelijker op de voorpagina. Afgelopen maandag ging het vooraan in De Morgen over de nieuwe plannen van Katholiek Onderwijs Vlaanderen om bij de start van de nieuwe eindtermen in september 2019 ook een nieuw vak in te voeren. Het vak ‘Mens en samenleving’ zou inzetten op een brede waaier aan vaardigheden en domeinen: van mediawijsheid en ondernemingszin tot burgerschap en financiële competenties.

Daar focuste het artikel echter niet op, en ook de discussies die spontaan losbarstten op Twitter en Facebook gingen daar niet over. Dat het vak Nederlands het slachtoffer zou worden van dat gloednieuwe schoolvak en van vijf lesuren zou worden gereduceerd tot vier, dat was wel perfect voor de kop. Vanuit de politiek werd ook afkeurend gereageerd: N-VA deed de plannen af als “een besparing op Nederlands” en een slecht signaal nu uit verschillende hoeken gesignaleerd wordt dat het met de lees- en schrijfvaardigheid van jongeren niet goed gesteld is.

Maar eigenlijk doet zo’n discussie over hoeveel uren het vak Nederlands in het lessenrooster kan innemen afbreuk aan de cruciale rol die taal speelt in álle schoolvakken. De nieuwe eindtermen voor de eerste graad secundair onderwijs, die onlangs werden goedgekeurd en vanaf het schooljaar 2019-2020 ingaan, zijn algemeen en los van een specifiek vak geformuleerd. Daardoor creëren ze voor het eerst de openheid om buiten dat sterk verkavelde vakkenlandschap te breken.

Het zijn ambitieuze en eigentijdse eindtermen, die leerkrachten uitdagen om samen te werken en te experimenteren. Zo kan een leraar Nederlands bijvoorbeeld een vakoverschrijdend project opzetten met de collega van pakweg geschiedenis of elektriciteit, of kunnen leraren samen voor de klas gaan staan om te co-teachen, zoals dat heet. Of waarom niet meteen de vakkenstructuur volledig doorbreken en de leerlingen in kortere projecten of modules laten werken, waarin ze de leerstof van verschillende vakken tegelijk en geïntegreerd aanpakken?

Verschillende scholen zijn dergelijke innovatieve aanpakken en manieren van organisatie aan het verkennen – vorige week kwamen er in Knack trouwens een aantal van die vernieuwende scholen aan bod – en krijgen vanuit de nieuwe eindtermen nu ook expliciet de kans om daar nog verder in te gaan. Scholen en leerkrachten mogen echter niet bang zijn om die flexibiliteit te benutten en de kansen die er nu zijn ook daadwerkelijk te grijpen.

Fons6_p4-9_IMG_4726_web (c) Michiel Devijver

© Michiel Devijver voor Iedereen Leest

Zeker leraren Nederlands hoeven zich door dit alles niet bedreigd te voelen: die grotere flexibiliteit en openheid geeft hen net de kans om buiten de grenzen van het vak Nederlands te breken, en samen met het volledige schoolteam op zoek te gaan naar een goede aanpak voor de uitdagingen die er zijn – niet alleen rond lees- en schrijfvaardigheid, maar evengoed rond zaken als woordenschat en spreekvaardigheid. Noch vier uur, noch vijf uur per week is voldoende om dat allemaal in één vak aan te pakken, maar het punt is net dat dat ook helemaal niet hoeft.

Een tekst lezen en daaruit afleiden wat het doel ervan is, dat kan evengoed in de les geschiedenis. Lessen biologie lenen zich er dan weer perfect voor om leerlingen informatieve teksten te laten lezen en hun er de hoofdgedachte uit te laten halen. Zo zijn practicumverslagen in de lessen fysica en chemie een uitstekende oefeningen op schrijfvaardigheid, en is het lezen van instructies of veiligheidsvoorschriften vaste prik in de lessen techniek of elektriciteit.

Op die manier wordt aandacht voor taal een zaak van élk schoolvak, en niet enkel de verantwoordelijkheid van de leraar Nederlands. Dat levert voor iedereen voordelen op: leerlingen krijgen veel meer oefenkansen, terwijl leerkrachten meer kunnen samenwerken en van elkaar kunnen leren. Ze kunnen ook samen opdrachten en taken ontwikkelen die leerlingen op meerdere vaardigheden tegelijk evalueren. Uiteraard blijft de leraar Nederlands de expert, en kan van andere leerkrachten niet zomaar verwacht worden dat ze voldoende onderlegd zijn om zelfstandig de taalvaardigheid van leerlingen te evalueren en te scoren, maar net daarom is samenwerking tussen leraren zo cruciaal.

De leraar Nederlands krijgt op die manier ook weer de handen vrij om bezig te zijn met die delen van het schoolvak Nederlands die nu nog vaak te weinig aandacht krijgen: van inzetten op leesplezier tot nadenken over activerende en motiverende manieren om leerlingen spelling- en grammaticaregels aan te leren. Zo krijg je enthousiaste leerlingen én minder gemor en frustraties in de gemiddelde leraarskamer.

Advertenties

Een gedachte over “‘Aandacht voor taal is een zaak voor elk schoolvak, niet enkel voor de leraar Nederlands’

  1. Interessante visie maar omzetten in de praktijk én betere resultaten opleveren is iets dat vooral zal afhangen van hoe (toekomstige) leraren opgeleid en voorbereid worden op hun (gezamenlijke?) onderwijsopdrachten en vooral ook hoe zij met de onderwijstaal – in dit geval het Nederlands – omgaan en in welke mate ze die zelf goed én creatief beheersen. Een slecht voorbeeld is alvast het ondoordacht gebruik van hele ladingen puur Engelse woorden, uitdrukkingen en grammaticale structuren die met Nederlands worden gemengd, vermengd en verminkt en dan ten onrechte als ‘Nederlands’ worden voorgesteld. Dit komt onder andere overgewaaid uit de verdwaasd globalistisch denkende academische wereld die meent dat kennis, wetenschap en techniek enkel nog in het Engels kunnen en moeten worden uitgedrukt en overgeleverd. Een voorbeeldje van zo’n onmogelijk en onnoemelijk slecht en lelijk ‘Nederlands’ is het in dit stuk gebezigde ‘werkwoord’ “co-teachen” (zoals dat heet?). Kom nou, waarom niet eens in creatief Nederlands proberen met bv. gewoon ‘samen- onderwijzen’ of – nog beter – ‘samen-leren’ omdat in dit didactisch model niet enkel de leerlingen maar ook de leraren iets leren en er dus samen wordt geleerd. Mijn bemerking ter zake lijkt misschien wat kleinzerig of voor sommigen zelfs onnozel maar dat is ze niet en is zeker niet zo bedoeld. Ik ben er echt oprecht van overtuigd dat het voor ons onderwijs in Vlaanderen een goede zaak zou zijn dat leerlingen én leraars, samen dus, leren om onbevangen en volop te putten uit de eigen rijke Nederlandse woordenschat en via de eveneens rijk voorhanden zijnde mechanismen van afleiding en woordvorming en
    met een brede, kleurrijke waaier van soorten grammaticale constructies ook leren om daar creatief en zelfs kunstig mee om te springen, net zoals de ‘Engelsen’ dat zo goed kunnen en ook doen. Waar zit dat hendeltje dan dat ons dan talig zo verlamt en wie haalt het over, wie maakt het vrij?
    Bovendien – en dat is minstens zo belangrijk – is dit een uitstekende basis om voldoende gewapend en dus met plezier ook andere talen dan het Nederlands te verkennen en te doorgronden, elk in hun specifieke eigenschappen en eigenheden die aan elke taal een eigen glans en gloor geven, haar zelfs bekoorlijk kunnen maken zonder daarom in dodelijke bekoring te moeten vallen.
    To slot hierna nog een op de webstek van ‘De Standaard’ geposte reactie waarin ik mijn visie omtrent ‘de leraar Nederlands van de toekomst’ die ook deels gelijk loopt met uw visie, kort maar krachtig en ook enigszins poëtisch heb uitgedrukt.
    Met waardering en een vriendelijke groet sluit ik hier dan mijn reactie af.

    [Het gaat mijns inziens niet zozeer om dat ene uurtje ‘Nederlands’ meer of minder, alsof het over een lepel soep meer of minder zou gaan, maar wél over de kwaliteit, de smaak en de kracht van de ‘soep’, over hoe men goede, smaakvolle en krachtige ‘soep’ maakt en opdient en waar een mens beter van wordt én zich voldaan en gelukkig bij voelt. Dat vergt dus taal onderlegde, didactisch beslagen en gemotiveerde ‘meesters’ Nederlands of – beter gezegd – taalmeesters die daar bovenop – vooral via literatuur, zowel oude als nieuwe – een héél brede kijk hebben op de mens, de samenleving en de wereld in hun historische, creatieve, kunstige en ethische aspecten. Dat is dus een boodschap aan onze ‘kweekscholen’ voor taalmeesters waar blijkbaar één en ander in de soep draait, vooral onder invloed van een deel van de huidige generatie academische ‘neerlandici’ die zich doende houden met het ‘observeren’ van allerlei onbeduidende taalfenomenen, zonder zelf een visie en een standpunt te ontwikkelen.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s