Nederlands in het NT2- en NVT-onderwijs, maar wélk Nederlands?

Vorige week nam ik tijdens het IVN-colloquium in Leiden deel aan een panel Het Nederlands als pluricentrische taal: taalideologische en didactische aspecten, onder leiding van collega Matthias Hüning (Freie Universität Berlin). Naast mijn lezing waren er ook bijzonder boeiende bijdragen van Philipp Krämer (Berlijn), Robert de Louw (Poznan), Truus De Wilde (Berlijn) en Ulrike Vogl (Wenen). Het panel was inhoudelijk gewijd aan (standaard)taalideologie en pluricentrisme in het Nederlands, en na een uurtje lezingen in hoog tempo – volgens sommigen een heuse science slam – was er nog ruim de tijd voor een discussie over wat de gevolgen van dat pluricentrisme zijn voor het NT2- en NVT-onderwijs. In zijn inleiding op het panel stelde Hüning daarbij al de centrale vraag: Nederlands in de klas, maar wélk Nederlands? Die vraag brengt bovendien heel wat andere vragen met zich mee: móéten we wel kiezen? Waarom, en welke criteria moeten we dan hanteren? Is er geen alternatieve benadering mogelijk? Wat is de rol van onze eigen (ideologische) opvattingen over taal? Hoe zit het met de vreemdetalendidactiek van andere pluricentrische talen?

Sterke standaardtaalnorm of niet?

Naar de huidige rol van het Standaardnederlands in Vlaanderen en Nederland kun je op verschillende manieren kijken. In 2008 had Joop van der Horst het al over Het einde van de standaardtaal, waarin hij erop wees dat de standaardtaalnorm meer en meer wordt losgelaten, en in zijn keynote op het IVN-colloquium wees Marc van Oostendorp op de “ideologie van het individualisme”, waarbij iedereen zijn eigen hoogstpersoonlijke repertoire ontwikkelt. Op datzelfde IVN-colloquium verscheen op maandag echter ook Vlaams minister-president Geert Bourgeois (ook mijn stadsgenoot trouwens, maar dat geheel terzijde), die in zijn speech net wees op het grote belang van een – bij voorkeur door noord en zuid gedeelde – standaardtaal als instrument voor participatie, democratie en sociale cohesie. Die standaardtaalnorm blijft voor hem dus recht overeind staan.

Als er onder de moedertaalsprekers van het Nederlands al zo veel twijfel bestaat over taalnormen en de rol van ‘de’ (?) standaardtaal, hoe zit dat dan in het NT2- en NVT-onderwijs? Een docente in de zaal geeft aan dat dat volstrekt onduidelijk is, omdat er tot nu toe weinig tot geen onderzoek is gebeurd naar de NVT-klaspraktijk. Bovendien moeten de banden tussen het taalkundige onderzoek en de didactiek veel sterker worden aangehaald (tekenend is dat het panel onder Taalkunde stond ingepland in het programma, en niet onder Didactiek).

Verschillen in taalbewustzijn

Joop van der Horst wees erop dat NT2/NVT-leerders vaak een veel beter besef hebben van taalvariatie dan moedertaalsprekers van het Nederlands: in de meeste gevallen hebben die geen flauw benul van de verscheidenheid aan taalvariëteiten en -varianten in het Nederlands. Matthias Hüning zit daarbij een verschil in bewustzijn tussen dominante en niet-dominante taalgemeenschappen: in dominante gemeenschappen (zoals Nederland) ligt dat taalbewustzijn een stuk lager dan in een niet-dominante gemeenschap als Vlaanderen, zo stelt hij.

Sommigen betwijfelen die stelling, maar het valt niet te ontkennen dat (standaard)taal in Vlaanderen een stuk gevoeliger ligt dan in Nederland. Dat vertaalt zich ook in een verschillende visie op taalbeleid: in Vlaanderen bestaan er beleidsdocumenten waarin gestipuleerd wordt welk taalgebruik gepast of noodzakelijk is in het onderwijs of op de openbare omroep. In Nederland is zoiets bijna ondenkbaar, tenzij het gaat over de (toenemende) rol van het Engels.

Soorten pluricentrisme

Hoe zit dat trouwens met Nederlands en Engels? Beide talen worden als pluricentrisch beschouwd, en dat brengt iemand uit het publiek tot de vraag of er dan soorten pluricentrisme zijn. Wanneer studenten uit pakweg Zuid-Korea bijvoorbeeld Engels krijgen, is er geen enkele discussie over wat voor Engels dat moet zijn: de norm is er zonder meer het Amerikaans Engels. In onze contreien zou dat wellicht net weer Brits Engels zijn. Gaat het vreemdetalenonderwijs dan anders om met het pluricentrische karakter van het Engels dan met de verschillende variëteiten van het Nederlands? Een docent uit het publiek noemt het Engels een pluricentrische taal, terwijl hij het Nederlands veeleer oligocentrisch noemt – van het Engels zijn er zeer veel variëteiten, van het Nederlands veel minder.

Begripsverwarring

Een ander pijnpunt dat tijdens de discussie komt bovendrijven: ons terminologische apparaat is onvoldoende geijkt. Wat er precies bedoeld wordt met begrippen als ‘standaardtaal’ en ‘Belgisch Nederlands’ kan van persoon tot persoon verschillen, terwijl een duidelijke definiëring van die termen onontbeerlijk is voor een gedegen discussie. Wanneer spreekt iemand bijvoorbeeld ‘standaardtaal’? Wordt die term voorbehouden voor een erg strikte norm, die enkel behaald wordt door nieuwslezers op VRT of VTM? Of stel je de intentionaliteit voorop, en is iedereen die moeite doet om standaardtaal te spreken meteen ook een spreker van die standaardtaal? Beide visies kunnen tot heel verschillende conclusies leiden: met een strikte definitie kom je vrij snel bij processen van destandaardisering uit, terwijl je in het tweede geval net zou kunnen stellen dat er misschien wel méér standaardtaal wordt gesproken dan vroeger.

Bij een begrip als ‘Belgisch Nederlands’ wordt het verhaal nog ingewikkelder: ook daar is een definiëring niet geheel vrij van verwarring, maar bovendien vragen sommigen zich af of het wel opportuun is om het Standaardnederlands zo “op te splitsen” in ‘Belgisch Nederlands’ en ‘Nederlands Nederlands’ (en daarnaast dan ook ‘Surinaams Nederlands’), terwijl er nog steeds zo’n grote gemeenschappelijke basis bestaat: 95 procent van de woorden in het Nederlands worden gewoon gedeeld door noord en zuid. Tegelijk wordt er aan die 5 procent wel steeds meer aandacht besteed, weten we dankzij de taaltest van De Standaard (november 2014) dat die ‘typisch Vlaamse’ woorden ook niet bepaald worden afgekeurd en zijn de eerste stappen naar codificatie van dat Belgisch Nederlands gezet, met het Gele Boekje van De Standaard (januari 2015) en de Davidsfondsuitgave Typisch Vlaams van Ludo Permentier en Rik Schutz (mei 2015).

Bewustmaking van taalvariatie

Tijdens de discussie waren de meeste aanwezigen het erover eens dat de focus in het NT2/NVT-onderwijs zou moeten liggen op de bewustmaking van taalvariatie: leerders moeten beseffen dat die variatie bestaat, en dat er meerdere standaardtalen zijn binnen het Nederlands. De kritiek dat die daar niet klaar voor zijn, wuift docent Truus De Wilde weg: cursisten Nederlands zijn over het algemeen geen doorsneesprekers, maar filologen die geïnteresseerd zijn in taal en uitgebreid reflecteren op zowel hun moedertaal als andere talen waar ze in hun leven mee kennismaken.

De opwerping dat dat niet voor álle leerders van het Nederlands geldt, noopt sommigen ertoe om de verschillen tussen NT2- en NVT-groepen nog eens te benadrukken: een NVT-klas is over het algemeen een vrij homogene groep studenten, die niet in een Nederlandstalige leefomgeving rondloopt. NT2-klassen zijn daarentegen zeer heterogeen, en bevinden zich wél in een Nederlandstalige samenleving. Dat typische onderscheid begint echter stilaan te verdwijnen, zeker bij NVT: de hogere mobiliteit van studenten leidt ook daar tot heterogenere groepen, en het Nederlands komt er ook meer en meer de klas binnen, via authentiek (online)materiaal. Zo kom je ook in de NVT-klas niet meer onder taalvariatie uit.

Positieve boodschap uitdragen

Wanneer docenten vertellen over hoe ze omgaan met die taalvariatie, blijkt echter dat de een daar al verder in gaat dan de ander. Eén docente vertelt dat ze twee soorten lessen organiseert: enerzijds een cursus taalvariatie, waarin “al die soorten Nederlands en tussentaal en zo” aan bod komen, anderzijds een cursus taalverwerving, waarin enkel wordt gefocust op het Nederlands Nederlands uit de Randstad. Wanneer ze daarbij stelt dat haar studenten “Belgische woorden niet hoeven te kennen”, krijgt ze behoorlijk wat weerwerk: studenten kunnen dat echt wel aan, meer dan één norm. Het onderzoek dat Robert de Louw (Poznan) in het panel presenteerde, toont bovendien aan dat ze daar zelf ook vragende partij voor zijn. Bewustmaking – awareness – is dus het sleutelwoord.

Voor docenten ligt daar een kernrol weggelegd: ze moeten een positieve boodschap uitdragen ten aanzien van taalvariatie, en in hun onderwijs focussen op waar hun studenten in de toekomst terecht zullen komen. Zo hebben toekomstige vertalers andere noden dan wie in het bedrijfsleven terechtkomt, om maar twee voorbeelden te geven. Uiteraard kan je niet iedereen op álle die mogelijke beroepen voorbereiden, maar door in te zetten op bewustmaking komen ze al een heel eind: welke woorden, wendingen of klanken worden wel of niet geaccepteerd? Wat voor effect heeft je taal op mensen? Door welke situaties wordt dat beïnvloed? Studenten Nederlands die daar inzicht in krijgen, vergroten hun zelfredzaamheid, kunnen zo in meer sectoren terecht, en krijgen zo ook positievere attitudes ten aanzien van het Nederlands.

Meertaligheid in het leven én de klas

Daarmee is nog een laatste kernwoord gevallen: attitudes. Wie met open blik naar taalvariatie kijkt, werkt aan zijn of haar taalbewustzijn, en van daaruit ook aan taalattitudes, en het zijn net die attitudes die het allerbelangrijkste zijn, zo benadrukken verschillende docenten. Koen Van Gorp wijst erop dat die attitudes ook voor docenten van primordiaal belang zijn: ook zij moeten taalnormen durven in vraag stellen. Het is belangrijk om als docent nu en dan ook eens de positie van je studenten in te nemen, en vertrouwen te hebben in je studenten. Ze leiden immers een erg talig leven, met veel meertaligheid en meerstemmigheid. Dat moeten én willen ze dan ook gereflecteerd zien in de NT2- of NVT-klas.

De paneldiscussie werd zo in grote overeenstemming afgesloten met wat ik zelf graag een paar ‘gouden stelregels’ wil noemen: (1) taalvariatie moet aan bod komen in de NT2-/NVT-klas, (2) de nadruk moet daarbij liggen op bewustmaking, en (3) dat verscherpte taalbewustzijn leidt tot positieve(re) taalattitudes. Een mooie conclusie van een al even mooi panel!

Advertenties

2 gedachtes over “Nederlands in het NT2- en NVT-onderwijs, maar wélk Nederlands?

  1. Ik wil even inpikken op die opmerking dat het Engels meer varianten kent dan het Nederlands. Voor de vertalerswereld klopt dat zeker. Ik maak als vertaler gebruik van vertaalgeheugens, en als je die software installeert, moet je je bron- en doeltalen opgeven. Dat zijn de koepelbenamingen, in mijn geval Nederlands, Duits en Engels. De software biedt je dan nadien alle varianten binnen die talen. Als je dan nadien een nieuw vertaalgeheugen aanmaakt, moet je namelijk binnen die talen ook aangeven vanuit en naar welke variant je vertaalt. Nu, voor het Nederlands heb ik de keuze tussen twee varianten: België en Nederland. Voor het Duits zijn dat er vijf (Duitsland, Oostenrijk, Liechtenstein, Luxemburg en Zwitserland), voor het Engels zestien (!). Ik zou graag een afbeelding van het lijstje toevoegen, maar dat gaat helaas niet.

  2. Pingback: (Her)bekijken: panel “Pluricentrisch Nederlands” | Steven Delarue

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s