Mijn favoriete taalzorgfout: de ‘tante betje achter het gordijn’

Hoe graag ik mijn huidige job ook doe: soms mis ik het lesgeven. Toen ik als assistent Nederlandse Taalkunde aan de UGent werkte, heb ik me zes jaar met veel plezier ontfermd over studenten Nederlands die aan de universiteit hun eerste (soms behoorlijk wankele) stappen zetten in de diepgaandere studie van de Nederlandse grammatica, fonologie, spelling en – uiteraard, hier in Vlaanderen – taalzorg. 

Je zou denken dat die lessen taalzorg als een gruwel werden ervaren, maar mijn indruk was toch dat het voor veel studenten best wel een van de leukere onderdelen was. Hoewel taalnormering en taaladvisering tegenwoordig steevast in beweging zijn, omdat wat aanvaard wordt als standaardtaal (en wat niet) gebaseerd is op wat wij als standaardtaal beschouwen, was het leven in de lessen taalzorg vaak geruststellend simpel en zwart-wit: “zeg niet X, maar zeg Y”, en volg vooral de regeltjes. Het verschil tussen hen en hun, tussen moest en mocht, tussen toen en als, tussen met wie en waarmee: op het examen trokken studenten in een ‘authentieke’ (maar vaak door ons stevig bewerkte) tekst op jacht naar de taal-, spel- en stijlfouten die we er als boobytraps in hadden verstopt. 

Meer nog: eens je het eerste jaar Nederlands – en de bijbehorende taalzorgtest – had doorworsteld, kwam je als tweedejaarsstudent een nieuwe categorie tegen: de ‘Taalzorgitems voor Gevorderden’. Foute beknopte bijzinnen bijvoorbeeld, met voorbeelden die je ongetwijfeld kent, omdat het evergreens zijn die met wat goeie wil op de lachspieren werken. In een zin als Vrolijk zingend werden de aardappelen geschild zou je immers kunnen denken dat het de aardappelen zijn die hun fraaiste zangstem bovenhalen: het verzwegen onderwerp van de beknopte bijzin (hier die vrolijk zingend) moet namelijk in principe gelijk zijn aan het onderwerp van de hoofdzin (de aardappelen). Wellicht is er geen mens die het echt zo zou interpreteren, maar als taaladviseur ga je nu eenmaal vaak van het domste in de mensheid uit, en dan riskeer je zingende aardappelen op je bord te krijgen.

Als je mij echter zou vragen wat mijn favoriete taalzorgfout is, dan ga ik voor de kwestie met de illustere naam ‘tante betje achter het gordijn’ – zo onbekend dat ze amper vijf hits haalt op Google, en dan komen twee van die vijf ook nog eens van mij:

Voor wie nu helemaal uit de lucht komt vallen: je bent (dus) niet de enige. Op wat er precies mis is met zinnen zoals in de tweet hierboven kom ik zo meteen terug, maar voor de ‘tante betje achter het gordijn’-kwestie heb ik een iets langer aanloopje nodig.

Tantebetjeconstructies (er worden doorgaans drie soorten onderscheiden) zijn voorbeelden van zinnen waar er, eenvoudig gesteld, iets fout is gegaan met inversie. De term, die al ruim honderd jaar oud zou zijn, hebben we te danken aan de taalpurist Gerard Nolst Trenité (1870-1946), die sommigen beter kennen onder zijn pseudoniem Charivarius. Hij kwam in de brieven van zijn tante Betje steevast zinnen tegen als *We vieren morgen Kerstmis en eten we kalkoen, waar twee hoofdzinnen aan elkaar worden geplakt en er in de tweede zin opeens – zonder dat daar een reden voor is – inversie optreedt.

Dat daar in de tweede zin met die eten we opeens inversie optreedt, is gek: het is een gewone mededelende zin, waar je in het Nederlands dus eerst het onderwerp (we) en dan pas de persoonsvorm (eten) zou moeten krijgen. Die tante Betje toch. Je krijgt in zo’n zin wél inversie als je een ander zinsdeel vooraan zet: We vieren morgen Kerstmis en daarom eten we kalkoen. Die daarom fungeert hier dus als ‘inversieveroorzakend element’ (dit zijn Taalzorgitems voor Gevorderden, weet je nog?). In een zin als Morgen vieren we Kerstmis en eten we kalkoen, krijg je twee keer inversie: morgen veroorzaakt hier volledig terecht inversie in beide zinnen, want het slaat inhoudelijk zowel op de eerste als op de tweede zin. 

En dan komen we op het spoor van een tweede tantebetjetype: je hebt immers ook zinnen waar die dubbele inversie niet correct is. Neem een zin als: *Vanaf 11 mei gaan de winkels weer open, maar blijven de cafés nog zeker tot juni dicht. Daar krijg je weer twee keer inversie (gaan de winkels en blijven de cafés), maar omdat vanaf 11 mei enkel op de eerste zin slaat, zou je enkel in die eerste zin inversie mogen krijgen. Dat is makkelijk gefikst: als je die inversie wegwerkt, door onderwerp en persoonsvorm van plek te wisselen, dan is het al helemaal in orde. Vanaf 11 mei gaan de winkels weer open, maar de cafés blijven nog zeker tot juni dicht.

Simpel toch? Maar we zijn er nog niet. In het voorbeeld van daarnet is het heel makkelijk te zien dat er iets fout is gegaan: terechte inversie in de eerste zin, onterechte inversie in de tweede. Maar soms is die onterechte inversie niet zo eenvoudig te zien, bijvoorbeeld omdat er in de zin bovendien ook nog eens een samentrekking is gebeurd. Dan komen we bij het derde en laatste tantebetjetype. Om opnieuw een actueel voorbeeld te geven: *Vanaf morgen moet ik op de bus een mondkapje dragen en ga er dus nu alvast eentje maken

Dat er hier inversiegewijs iets foutloopt, is veel moeilijker te zien: in de tweede zin is het onderwerp immers niet meer uitgedrukt. Omdat ik zowel het onderwerp is van zin 1 als van zin 2, is er hier een samentrekking gebeurd – korter is altijd beter. Het probleem is: als lezer of toehoorder moet je zo’n samentrekking reconstrueren, en dan kan het hier al eens misgaan. Aangezien je in de eerste zin een inversie ziet staan, heb je immers de neiging om dat in zin twee ook te doen, waardoor je dit krijgt: Vanaf morgen moet ik op de bus een mondkapje dragen en ga [ik] er dus nu alvast eentje maken. 

Dat levert echter een inversiefout op: vanaf morgen slaat hier inhoudelijk op de eerste zin, maar niet op de tweede (dat zie je hier duidelijk door de tijdsbepaling nu alvast). Dat betekent dat die vanaf morgen weliswaar inversie kan veroorzaken in zin één, maar dat niet hoort te doen in zin twee. Je moet daar dus … en ik ga er dus nu alvast eentje maken schrijven. Door die samentrekking zat tante betje hier goed verstopt, maar we hebben haar toch gevonden – ze zat achter het gordijn. Je doet er trouwens altijd goed aan om in je teksten eens achter de gordijnen te kijken, want geloof me: tante betje op bezoek hebben, da’s echt geen pretje. Al heb ik dat gelukkig alleen maar van horen zeggen.

Allee jong! Over de 8 betekenissen van het meest typische Vlaamse woord.

Sinds een maand of vier-vijf woon ik samen met m’n vriend, die in het bezit is van een Nederlands paspoort en speciaal voor mij de oversteek naar het b(iz)arre België heeft gemaakt. Intussen zijn de grenzen dicht: vluchten is geen optie meer, en dus heeft hij maar beslist om er het beste van te maken. De lichte (en soms minder lichte) frustratie over de traagheid van de Belgische overheid en de inefficiëntie van onze administratie heeft daarbij plaatsgemaakt voor een permanente staat van verwondering.

Want hoe kunnen twee aan elkaar grenzende regio’s, die bovendien dezelfde taal delen, zó hard van elkaar verschillen? Cultuursocioloog Geert Hofstede schreef het jaren geleden al op basis van zijn cultuurvergelijkend onderzoek naar waarden: “In fact, no two countries (…) with a common border and a common language are so far culturally apart (…) as (Dutch) Belgium and the Netherlands.”

Nou. Of zoals we in Vlaanderen eerder zouden zeggen: allee. Iets wat mijn Nederlander meteen was opgevallen toen hij hier in Gent begon te wonen en te werken: Vlamingen gebruiken dat woordje allee (vaak ook gespeld als allez) voor zowat alle mogelijke situaties en emoties, lijkt het wel.

Onderzoek blijkt dat ook te onderschrijven: voor hun frequentiewoordenboek van 5.000 veelvuldig gebruikte woorden in het Nederlands, stelden computerlinguïste Carole Tiberius en lexicologe Tanneke Schoonheim een corpus van 290 miljoen woorden samen. Proza, krantenartikels, webteksten, uitgeschreven debatten, gesprekken en lezingen: het zit er allemaal in. Zo kregen ze zicht op de woorden die in het Nederlands het vaakst voorkomen – weinig verrassend zijn dat de, en, in, van en op – maar ook op woorden die typerend zijn voor het Nederlands in België, terwijl ze in Nederland niet gebruikt worden. En daar prijkt op nummer één, jawel: allee.

Hoe komt dat nu eigenlijk? En wanneer gebruiken we dat tussenwerpsel dan precies? Daar is tot nu toe weinig tot geen taalkundige onderzoek naar gebeurd. Een zeldzame verkennende studie naar allee is die van onderzoekster Hanne Kloots, die er in 2007 een paper aan wijdde. In de transcripties van 160 interviews met leraren Nederlands, afkomstig uit het in 1999 samengestelde Corpus Gesproken Nederlands (CGN), vond Kloots alles samen 302 realisaties van allee terug. Slechts eentje kwam van een Nederlander, de andere 301 waren Vlaams. Het frequentiewoordenboek van daarnet lijkt er dus niet ver naast te zitten. Wel is het zo dat al die realisaties uit de monden van 49 Vlaamse leraren kwamen, en er dus evengoed 31 waren die allee geen enkele keer gebruikten. En ook tussen de gebruikers onderling waren er grote verschillen: de meerderheid gebruikte het maar een handvol keren, terwijl één leraar maar liefst 59 allee’s over het interview uitstrooide.

In haar categorisering van die ruim 300 realisaties van allee komt Kloots tot acht betekenissen waarin het gebruikt wordt.

1. Aansporing. Allee Tom! Allee, een beetje rapper! Wellicht is het aansporende gebruik van allee het ruimst verspreid. Van Dale neemt het ook op in die betekenis: ‘komaan, vooruit’.

2. Nuancering. Ik ga dit jaar wel mijn diploma halen. Allee, dat hoop ik toch tenminste. Daarnaast wordt allee ook vaak gebruikt om een pas gedane uitspraak te nuanceren.

3. Verbetering. Wat de grens, allee, wat de drempel ook een beetje verlaagt. Hier zet de spreker allee in om een woord of een constructie te verbeteren. De oorspronkelijke formulering – dus wat aan die allee voorafgaat – wordt daarvoor vaak gewoon ergens halverwege afgebroken.

4. Verduidelijking. Dan doe ik dat vanavond wel, allee, nadat we gegeten hebben. Hier probeert de spreker zijn of haar uitspraak iets concreter te maken. Allee leidt dan die verduidelijking in. Kloots benadrukt wel dat de drie laatstgenoemde betekenissen – nuancering, verbetering en verduidelijking – erg dicht bij elkaar aansluiten en dus ook moeilijk van elkaar te onderscheiden zijn.

5. Afronding. Allee, dat was dus geen geweldige ervaring. Hier betekent allee iets als ‘kortom’. De spreker heeft net iets verteld, en gebruikt allee om een (tussentijdse) conclusie of samenvatting in te leiden. De aanwezigheid van allee kan soms ook op de afsluiting van een gesprek wijzen, zonder een opsomming of beschrijving vooraf. Ik gebruik het zelf bijvoorbeeld ook vaak om een telefoongesprek af te ronden – of in elk geval aan te geven dat ik het graag zou willen afronden. Allee, ‘k ga u dan laten. 

6. Vraag en/of haperend geheugen. Allee, wie heeft er dat nu weer geschreven? Soms duidt allee ook aan dat je als spreker even niet op iets kunt komen, of dat je je iets afvraagt. Allee, wat was het nu weer? 

7. Verbazing. Allee, da’s nu toch niet te geloven? Een spreker kan allee ook gebruiken om zijn of haar verbazing uit te drukken. Dat kan positief zijn (verwondering), maar ook negatief. Verbazing neigt dan eerder naar verontwaardiging.

8. Stopwoord. Dan leer je hem wel allee ja heel goed kennen. Kloots heeft na de zeven voorgaande betekenissen nog ongeveer een kwart van al haar allee’s over – en die zitten allemaal in deze categorie. Een echt duidelijke betekenis heeft allee hier niet: hoogstens geeft het woord hier aan dat de spreker even aarzelt of twijfelt, en via het gebruik van allee een korte pauze inlast.

Je kunt er dus veel kanten mee op, met dat ene woordje. Typisch Vlaams, typisch voor spontane spraak, maar alomtegenwoordig in onze communicatie hier en net door die veelzijdigheid zo enorm handig. En dus is het maar een kwestie van tijd voor ook mijn inwonende Nederlander er spontaan gebruik van zal maken – hoe hard hij nu ook benadrukt dat hij dat nóóit van plan is. Allee dan.

Naar aanleiding van deze blogpost mocht ik ook in Nieuwe Feiten op Radio 1 iets over de diverse betekenissen van allee vertellen. Herbeluister het interview hier. 

Het Groot Dictee verdient beter dan een aftocht langs het achterpoortje

Deze opinie verscheen vandaag ook op Knack.be

Het Groot Dictee stopt ermee, zo wisten de Nederlandse en Vlaamse krantensites deze morgen te vertellen. Na 27 edities trekt de Nederlandse omroep NTR er definitief de stekker uit, want “de kijkcijfers zijn te laag”, het programma is “over zijn hoogtepunt heen”, en de hele opzet is nogal “archaïsch”. Dat het er ooit van zou komen, dat stond vast, maar dat het een afscheid in mineur zou worden, is bijzonder spijtig te noemen. Het instituut dat het Groot Dictee der Nederlandse Taal door de jaren heen is geworden, verdient beter dan een aftocht langs het achterpoortje.

kasuaris6
De kasuaris, een dier dat we leerden kennen dankzij het Groot Dictee van 2014

Laat ik maar meteen met een bekentenis beginnen: ik ben sinds jaar en dag een dicteeliefhebber. Een van m’n eerste lagereschoolherinneringen dateert van 1995, toen ik op 7-jarige leeftijd mijn lerares in het tweede leerjaar terechtwees omdat ze pyama op het bord had geschreven – terwijl dat sinds de net doorgevoerde spellinghervorming toch wel écht pyjama moest zijn. Het was m’n ouders een raadsel vanwaar die plotse fascinatie voor spelling precies kwam, en ze is nooit verdwenen. Ik deed jaarlijks mee aan het ook al ter ziele gegane Groot Nederlands Dictee van het Davidsfonds, eerst in de jeugdcategorieën, later bij de volwassenen. Toen ik in Gent taal- en letterkunde ging studeren, organiseerde ik jarenlang een eigen Groot Dictee bij de studentenkring. En voor het Groot Dictee maakte ik steevast plaats vrij in m’n agenda – de laatste jaren ging ik zelfs met andere dicteeliefhebbers meeschrijven in de bibliotheek van Merelbeke. Het is een bijzonder ras, dat van de dicteetijger.

Hoewel het bovenstaande niemand uit m’n onmiddellijke omgeving zal verbazen, heeft het de voorbije jaren wel vaak voor ongemakkelijke gesprekken gezorgd met collega-taalkundigen en –sociolinguïsten. Het is immers een lastige spreidstand: als sociolinguïst pleiten voor een open blik op taal, vanuit de gelijkwaardigheid van verschillende talen en taalvariëteiten, maar tegelijk op een donkere zaterdagavond in december driftig meeschrijven met een dictee waar je oren van gaan tuiten, om daarna triomfantelijk op Facebook te posten dat je er maar drie fout had. Dat het Groot Dictee nu op de schop gaat, levert op m’n Twittertijdlijn dan ook vooral vrolijke of ongevoelige reacties op, en die kan ik ergens wel begrijpen. Het klopt inderdaad dat het Groot Dictee er mee verantwoordelijk is dat veel mensen nog steeds denken dat taal gelijk is aan spelling, terwijl er zoveel meer is dan spelling alleen. Bovendien was het Groot Dictee volgens sommigen ook niet meteen bijzonder goede reclame voor die Nederlandse spelling: in het rapport ‘Ze kunnen niet meer spellen’, dat de Taalunie in 2011 uitbracht, heet het zelfs dat zo’n dictee vooral “een demonstratie van de onbeheersbaarheid van de spellingregels” is. Daarom werden er in het verleden al vaker alternatieven naar voren geschoven, ook door taalkundigen. Sterre Leufkens en Marten van der Meulen, die samen taalblogs schrijven onder de naam Milfje Meulskens, pleitten enkele jaren terug bijvoorbeeld al voor een ‘Grote Taalquiz’, waarin het brede veld van wat taal is en kan aan bod komt – in plaats van een Groot Dictee waarin alleen dat smalle spellingperceeltje vrij baan krijgt.

En toch. Toch schrijf ik hier een stuk waarin ik het bestaansrecht van zo’n Groot Dictee wil verdedigen. Niet omdat ik ontken dat taal meer is dan spelling, want ik ben een van de grootste pleitbezorgers voor ruime aandacht voor taal in de breedste zin van het woord, maar net omdat taal ook spelling is. In dat opzicht is het dan ook pure onzin dat Willemijn Francissen, de “integraal eindredacteur kennis” (laat de functienaam even bezinken) van de NTR, als argument opwerpt dat er nu al zoveel gebeurt rond taal dat het Dictee wel geschrapt kan worden. Niet alleen geeft dat de – zeer onterechte – indruk dat er vroeger dan blijkbaar niéts rond taal gebeurde, het versterkt ook de idee dat het Groot Dictee op zich voor een tv-omroep wel kan volstaan om de taalflank volledig af te dekken.

Voor alle duidelijkheid: dat is niet zo. Er kan niet genoeg aandacht besteed worden aan taal op radio en tv (en al helemaal niet op de openbare omroep), en dat moet net op allerlei verschillende manieren en in allerlei verschillende formats. Van poëzieslams tot literatuurprijzen, van Lingo tot Tien voor Taal, van ‘de Grote Taalquiz’ (laat die er maar komen!) tot… het Groot Dictee. Ja, het is inderdaad wat archaïsch, en net daarom verdient het nog steeds zijn plaats op de televisie. Kijken naar schrijvende mensen heeft iets vervreemdends, iets voyeuristisch ook bijna. Het is een voorbeeld van interactieve televisie, nog voor het bestaan van rode knoppen en Twitterwalls: een oproep om zélf mee te doen, en niet louter toeschouwer te zijn. Het is ook een vorm van onthaasting, een vroege voorloper van de nu nochtans zo hippe slow tv. Als Ruben Van Gucht uren aan een stuk door het Vlaamse landschap fietst voor zijn hoogstpersoonlijke Ronde van Vlaanderen, omgeven door camera’s, dan oogst hij daar lof voor, maar diezelfde eigenschap – traagheid – wordt het Groot Dictee nu wél aangewreven.

Ook het andere argument dat door de NTR wordt aangehaald, namelijk de immer dalende kijkcijfers, mag niet puur door een gebrek aan interesse worden verklaard. Dat het Groot Dictee recent van woensdagavond naar zaterdagavond werd verplaatst, en ook nog eens een later uitzenduur kreeg op een minder bekeken zender, is een voorbeeld van een verstikkingsoperatie die in het verleden al tal van steengoede televisieprogramma’s klein heeft gekregen – van De Canvascrack in Vlaanderen tot Sesamstraat in Nederland. Wie met een dictee op zaterdagavond 368.000 Nederlandse kijkers kan lokken, doet het volgens mij verre van slecht.

Eén opluchting: de misstap om er een ‘speelsere’ versie van te maken, is gelukkig niet begaan. De piste werd blijkbaar wel verkend – met stemkastjes en een stand-upcomedian, de gruwel! – maar is afgevoerd. Groot gelijk: je organiseert zo’n Groot Dictee zoals het hoort, of je doet het niet. Alleen valt de keuze om het dan maar niet meer te doen nu op een zodanig knullige manier dat het pijnlijk is voor iedereen die er in de 26-jarige geschiedenis van het Dictee aan heeft meegewerkt, en voor alle dicteeliefhebbers die het evenement een warm hart toedroegen. Of nee, schrap ‘dicteeliefhebbers’, en maak er ‘spellingaficionado’s’ van – een prachtig dicteewoord dat we nu helaas nooit uit Philip Freriks’ mond zullen horen.

Hun zijn weer aan het zeuren

Viel me dat even lelijk tegen, toen ik deze ochtend De Morgen opensloeg. Dan denk je geabonneerd te zijn op een progressieve krant, krijg je meteen een zure oprisping van hoofdredacteur Bart Eeckhout op je bord. De oorzaak van z’n slechte humeur bleek Hans Bennis te zijn, de recent aangestelde algemeen secretaris van de Taalunie. In een boeiend interview in De Volkskrant had Bennis het immers aangedurfd te beweren dat een constructie als ‘hun hebben’ niet alleen een onproblematische ontwikkeling is – taal evolueert nu eenmaal – maar zelfs een taalkundige verbetering.

De redenering daarachter is relatief simpel: omdat ‘hun’ sowieso naar personen verwijst, terwijl de standaardtalige vormen ‘ze’ en ‘zij’ zowel op personen als op objecten kunnen slaan, creëert het gebruik van ‘hun’ als onderwerp net extra duidelijkheid. In het bijzonder fijne boekje ‘Taal’, dat ik vorig jaar voor Over Taal recenseerde, schreef taalkundige Sterre Leufkens er ook nog over: eigenlijk is iets als ‘hun hebben’ net een erg slimme taalinnovatie – die overigens al in 1911 voor het eerst werd geattesteerd. Wie ontsteld uitroept “dat hun weer aan de kapstok hangen”, maakt bijvoorbeeld meteen duidelijk dat het niet louter de jassen zijn die aan de kapstok hangen, maar dat het je kinderen zijn die wellicht de boel aan het slopen zijn.

Nu, daar heeft hoofdredacteur Eeckhout geen oren naar. In zijn zure commentaarstuk meent hij dat ze ze “niet helemaal op een rij” hebben bij de Taalunie, want eigenlijk “zou het geen overbodige luxe mogen zijn dat we ook in onze taalbeheersing een paar regels blijven respecteren. Dat is inderdaad geen kwestie van grammaticale noodzaak, wel van wederzijds respect.” Wat er zo respectloos is aan een ‘hun’ als onderwerp is me niet helemaal duidelijk – in dat opzicht heb ik me eigenlijk wat meer geërgerd aan zijn gebruik van ‘opgesodemieterd’ in de slotzin van z’n stuk, maar goed.

Een andere passage maakt echter zonder meer duidelijk hoe deze discussie opnieuw terug te brengen valt op een vrij elitaire visie op taal en taalnormen (zie ook wat ik daarover eind vorig jaar op Knack.be schreef) – daarmee zet Bart Eeckhout zich overigens pal op dezelfde lijn als z’n collega Joël De Ceulaer, die hem vanmorgen op Twitter alvast volmondig gelijk gaf. Eeckhout schrijft:

Het is ons droef te moede dat de Taalunie integendeel de poorten almaar meer open schijnt te zetten voor fout, schabouwelijk taalgebruik, wellicht vanuit de misbegrepen democratiseringsgedachte dat de taal van iedereen moet zijn. (…) Maar hier wensen we toch de grens te trekken. De enige zin waarin wij ‘hun hebben’ tolereren is in combinatie met ‘hun houden’. En voorts opgesodemieterd met je lijpe ‘hun hebben’.

Aan het bovenstaande citaat zouden discoursanalytici een flinke kluif hebben. Er is het opvallende gebruik van de meervoudsvorm ‘we’, kwestie van de indruk te wekken dat je een grote groep boze taalliefhebbers rond je verzameld hebt. Er is de bewering dat de Taalunie volledig autonoom bepaalt hoe het Nederlands en de standaardtaalnorm zich ontwikkelt. Er is blijkbaar ook een blind geloof in de maakbaarheid van taal, waarbij de elite wel zal bepalen hoe ons Standaardnederlands er kan en zal uitzien, want de taal is toch wel niet van iedereen zeker? En als de Taalunie de grens niet kan bewaken, dan zullen wij van De Morgen het wel doen: tot hier en niet verder!

Een bizarre houding vind ik dat. Niet alleen omdat het natuurlijk onzinnig is om te denken dat je op die manier taaldynamiek en -evolutie kunt tegenhouden, maar ook omdat meneer de hoofdredacteur op pagina 2 met veel poeha een constructie als ‘hun hebben’ weghoont, terwijl een van zijn journalisten op pagina 3 een fraai en genuanceerd stuk schrijft, waarin professoren Johan De Caluwe (UGent) en Wim Vandenbussche (VUB) benadrukken dat het erg onwaarschijnlijk is dat die constructie in Vlaanderen even alomtegenwoordig zal worden als in Nederland. Het verzet van Eeckhout is dan ook puur symbolisch, en gericht tegen een veel breder ‘probleem’ van gepercipieerde taalverloedering, en het is net die bijzonder negatieve framing die mij stoort.

Zelf heb ik zes jaar lesgegeven in de opleiding Nederlands van de Universiteit Gent, en jaar na jaar heb ik mijn studenten hartstochtelijk proberen te overtuigen van het belang van taalzorg en correct taalgebruik. Alleen raak je er dan niet als je “de taal is niet van iedereen” en “tot hier en niet verder” begint te scanderen – je moet net laten zien hoe dergelijke normen en regels tot stand komen, hoe relatief ze zijn, hoe gevoelig ze soms liggen. En hoe de taalrealiteit buiten het leslokaal zich eigenlijk niets van die regels aantrekt. Veel van mijn studenten droomden ervan om journalist te worden, en ik heb hun op het hart gedrukt dat hun vlotte pen er dan wel eentje zonder taalfouten zou moeten zijn. Alleen helpt het dan niet als je in De Morgen (en in elke andere krant) op frequente basis pakweg het niet-standaardtalige gebruik van hypothetisch moest tegenkomt, of als wanneer het eigenlijk dan moet zijn, of het af te keuren gebruik van mits als voorzetsel. Stuk voor stuk dingen waar de Taalunie wél streng over is, maar in die gevallen is het dan blijkbaar net De Morgen dat voor “fout, schabouwelijk taalgebruik” kiest.

Gelukkig is er nog Hans Bennis om ons gerust te stellen: “Er is niemand die de taal om zeep wil helpen.” Oef.

Meer lezen?

Op 24 februari vond in Leiden het boeiende symposium Goede redenen voor foute taal plaats, met als centrale vraag: bestaat dat eigenlijk wel, foute taal? De aanwezige taalwetenschappers vonden alvast van niet, en toonden overtuigend aan dat sommige ‘taalfouten’ eigenlijk heel vanzelfsprekend zijn. In de recentste editie van Taalunie:Bericht, de nieuwsbrief van de Taalunie, lees je er een mooi verslag over – waarbij ook wordt doorgelinkt naar een aantal andere stukken over hetzelfde symposium.

De Taalunie reageerde ondertussen ook al zelf op de hetze over ‘hun hebben’, naar aanleiding van het interview met Hans Bennis in De Volkskrant.

 

 

De ene taalfout is de andere niet

De bladeren vallen van de bomen, mutsen en handschoenen worden weer bovengehaald en hier op kantoor vallen de eerste collega’s ten prooi aan virale infecties: ’t is weer herfst! En sinds een paar jaar betekent dat ook dat het weer tijd is voor een onvervalste taaltest, u aangeboden door De Standaard en Radio 1. Tijdens vorige edities wilden ze graag weten hoe Vlaams (2014) of hoe chill (2015) uw Nederlands was – het viel me trouwens op dat de editie van 2014 véél meer stof deed opwaaien dan die van 2015 – en dit jaar wordt er weer lekker uit het vaatje van die typisch Vlaamse ideologische taalgevoeligheid getapt: het gaat over taalfouten.

Wie aan de test deelneemt, krijgt 30 zinnen voorgeschoteld, waarbij de vraag is: “Ergert u zich als u in de krant deze taal- of stijlfout ziet?”. Wie dat voor de 30 zinnen doet, en daarna nog een aantal andere vragen beantwoordt, krijgt vervolgens een score én een profiel: van taalhippie en taaltoerist over taalchampetter tot taalnazi. Die laatste categorie leverde ook de inspiratie voor de naam van de taaltest zelf: die werd – marcherende taalsoldaten incluis – De Grote Taalnazi-test gedoopt.

taalnazi
Doe zelf de test op taaltest.standaard.be.

Dat gebruik van de term taalnazi riep op Twitter al meteen relatief veel discussie op – in die mate zelfs dat Jan Hautekiet vanmorgen op Radio 1 de hoofdredacteur van De Standaard moest bellen om de boel wat te sussen: tuurlijk is het niet de bedoeling om het nazisme te relativeren, of mensen die taalfouten belangrijk vinden te demoniseren. Zelf heb ik ook een beetje een probleem met het begrip, zij het om een andere reden. Zoals Hautekiet & co benadrukken, staat taalnazi inderdaad in Van Dale (voor hen meteen een reden om de term te gebruiken), maar de betekenis daar is:

<minachtend> iemand die voortdurend anderen op hun taalfouten wijst

Dat is toch niet waar de taaltest naar peilt? In de 30 zinnen stonden er zaken waar ik me aan kan ergeren als ik ze in de krant tegenkom, maar dat hoeft niet per se te betekenen dat ik er de journalist in kwestie meteen op zou aanspreken. Soms stoort het me genoeg om er een tweet aan te wijden (doe gerust mee, met de hashtag #zoekdetaalfout!), maar in veel gevallen haal ik de schouders op en lees ik gewoon verder. Ben ik dan een taalnazi of niet? En hoe verhoudt een taalnazi zich bijvoorbeeld tot een (taal)purist? Of tot een ‘taalstroman’, zoals iemand het mooi omschreef op Twitter – iemand die zo gefocust is op taalcorrectheid, dat hij/zij amper aandacht besteedt aan de inhoud?

Nog meer begripsverwarring ontstaat er als je gaat kijken naar wat er zoal onder de term taalfout wordt gevat. Wie de 30 zinnen bekijkt, kan minstens vier onderverdelingen maken:

1. “Klassiekers in het genre” (denk aan noemen/hetendan/alsslaan/slagen(een) beroep doen op, etc.)

2. Grammaticale fouten (een instrument die/dataan zij/hen die lijden, meer mannelijk/mannelijker,…)

3. Spelfouten (koste vs. kosttecreëeren vs. creërenpunt hoofd vs. punthoofd,…)

4. Tikfouten (beokje voor boekje,…)

Daarnaast zijn er ook een aantal gevallen die ik zelfs niet in de bovenstaande categorisering kwijt kan. Stijlkwesties bijvoorbeeld:

 

De kampbewaker zegt niet actief te hebben meegedaan aan de massamoord in Auschwitz. In Auschwitz kwamen bij die massamoord 1,1 miljoen mensen om.

  • Fout
  • Correct: De kampbewaker zegt niet actief te hebben meegedaan aan de massamoord in Auschwitz. In het kamp / Daar / Daarbij kwamen 1,1 miljoen mensen om.
  • Toelichting: dit is een stijlfout. Schrap overbodige woorden. Zie het stijlboek van De Standaard, op 15 oktober bij de krant.

Is dat ook al een fout dan? Akkoord, het zou efficiënter zijn als je dat tweede voorkomen van “in Auschwitz” gewoon zou schrappen, en vanuit stilistisch-esthetisch oogpunt vind ik “in het kamp”, “daar” of “daarbij” ook vlotter klinken, maar als ook dát al een taalfout is, dan zijn we dat begrip wel écht aan het uithollen.

Meer nog: sommige zinnen bevatten niet eens fouten, wat een beetje raar is. Wil men ook onderzoeken of mensen zich ergeren aan vermeende taalfouten? Wordt wel lachen, als die zelfverklaarde taalnazi’s rood aanlopen omdat er in een tekst ‘binnen 30 seconden’ of ‘zo-even’ staat, terwijl dat gewoon lekker correct is!

Persoonlijk erger ik me niet aan iemand die ‘dat aftands flatgebouw’ (zonder buigings-e) of ‘giraffenek’ (zonder tussen-n) schrijft. De onderstaande zin stoorde me dan weer wél, maar wat me nog meer ergerde, was de gebrekkige toelichting die bij die ‘taalfout’ werd gegeven. “Slordig taalgebruik” vind ik erg magertjes als uitleg, en onnodig geringschattend. Waarom wordt hier niet verwezen naar bijvoorbeeld de toelichting van de Taaltelefoon, zoals bij andere gevallen wél gebeurde? Omdat het hier om ‘taalfouten’ gaat die in de geest van de opstellers enkel door jongeren worden gemaakt? Het is niet toevallig de oma die in het onderstaande voorbeeld gebeld moet worden, denk ik dan.

Mag ik u gsm eens even lenen? Ik wil mijn oma bellen.

  • Fout
  • Correct: Mag ik uw gsm eens even lenen? Ik wil mijn oma bellen.
  • Toelichting: slordig taalgebruik

Op de radio, bij Hautekiet (Radio 1), mocht taalprof Peter-Arno Coppen (RU Nijmegen) wat toelichting geven bij de verschillende profielen die uit de taaltest voort bleken te komen, met obligate interviewtjes met voor- én tegenstanders van taalvariatie. Interessant was de vaststelling dat het onderzoek naar een eventueel verband tussen persoonlijkheidskenmerken en gevoeligheid voor taalfouten nog in de kinderschoenen staat. Dat er met deze test een voorzichtige poging wordt gedaan om daar iets aan te veranderen, valt in dat opzicht toe te juichen, al lijkt er bij de taaltest van dit jaar wel geen universitaire partner betrokken te zijn. De toekomstige resultaten zijn dus sowieso met een korrel zout te nemen.

Voor het overige kwam Coppen niet echt veel aan het woord, had ik de indruk. Hij kon weinig meer doen dan vaststellen dat zowel (zelfverklaarde) taalnazi’s als taalhippies bestaansrecht hadden, en dat hun beider meningen er wel mogen zijn. Lekker diplomatisch: elke taal kent wel een norm, en sommigen vinden het belangrijk om zich daaraan te houden, maar anderen niet. Klaar. Twee van Coppens uitspraken zijn wel blijven hangen, en vond ik bijzonder waardevol voor de discussie, al werd er voor de rest niet veel mee gedaan. Ten eerste worden mensen die zich niet al te veel aantrekken van taalfouten vaak geframed in termen van luiheid. Coppen ziet het net als een uiting van efficiëntie: er niet te veel tijd of inspanning in stoppen. Ten tweede benadrukt Coppen dat het altijd weer diezelfde top 20 van clichés is die in dit soort discussies naar boven komt: noemen/heten, als/dan, hen/hun, enzovoort. Dat is echter slechts een fractie van de taalrijkdom waarover we beschikken – waarom zou je je daarop blijven fixeren?

Het opvallende (en tegelijk logische) aan dit soort discussies is dat velen zich betrokken voelen, en dat er erg veel emotie mee gepaard gaat, maar erg weinig rationele argumentatie. Dat is bij deze Taaltest – en de reacties erop – niet anders. Maar dat zo’n test kranten verkoopt, daar twijfel ik geen seconde aan.

De aflevering van ‘Hautekiet’ valt opnieuw te beluisteren via Radioplus. In De Standaard van 14 oktober staat een analyse van de resultaten van de taaltest. En wie nog meer wil: op zaterdag 15 oktober zit bij De Standaard een stijlboek met schrijftips. 

Tussentaalkronkels

Morgen ben ik precies een maand aan de slag binnen het Onderwijscentrum Gent, als deel van het team Onderwijsontwikkeling. Ik mag er bezig zijn met geweldig boeiende thema’s als meertaligheid en OKAN (Onthaalklassen voor Anderstalige Nieuwkomers), die qua maatschappelijke relevantie toch net dat tikkeltje beter scoren dan het thema waar ik de afgelopen zes jaar voor mijn doctoraatsonderzoek mee bezig ben geweest: tussentaal in de klas. Ik had mezelf dan ook voorgenomen om, nu mijn proefschrift geschreven én verdedigd is, het hele tussentaalverhaal maar meteen voor eventjes op te bergen. Op den duur ben je immers – na steeds opnieuw dezelfde discussies – wel uitverteld.

geentussentaal
De kop van het bewuste Over Taal-stuk

Ik heb me dan ook weten in te houden toen er nogal wat reactie kwam op de stukken in de pers naar aanleiding van mijn promotie (een nieuwe job die je voltijds bezighoudt helpt daarbij ook wel), maar op het gisteren verschenen stuk van voormalig collega Albert Oosterhof, waarmee het tijdschrift Over Taal vol uitpakt op zijn website, wil ik wél nog eens reageren. Onder de veelzeggende titel Leraren mogen géén tussentaal gebruiken stelt Oosterhof naar aanleiding van mijn doctoraatsonderzoek vast dat tussentaal “steeds salonfähiger [wordt] als onderwijstaal”, wat voor hem een “problematische ontwikkeling” is. Op zich is dat een te verdedigen standpunt: een van de vaststellingen in mijn proefschrift is inderdaad dat bepaalde omgangstalige kenmerken – met voorop de weglating van de begin-h (ij ‘hij’) of de eind-t (nie ‘niet’) en het gebruik van ge/gij voor ‘je/jij’ – door veel leraren in de klas niet langer als problematisch worden beschouwd, en ik kan me voorstellen dat niet iedereen dat even leuk vindt. Het is trouwens met opzet dat ik zulke kenmerken nu ‘omgangstalig’ noem, en niet ‘substandaardtalig’: op zich is een zin als ge moed u nie aast’n niet minder waard dan de standaardtalige tegenhanger je moet je niet haasten. 

Het hoeft echter geen betoog dat er in de hoofden van veel Vlamingen wél een hiërarchisch onderscheid bestaat tussen beide zinnen: de verwoede pogingen die er tussen de jaren 50 en 80 van de vorige eeuw zijn geweest om de standaardtaal ingang te doen vinden, hebben ertoe geleid dat standaardtaal als de beste, mooiste, meest aangename variëteit wordt beschouwd. Op zich opnieuw geen bezwaar – over smaak valt niet te twisten – maar het wordt wél problematisch als alles wat géén deel uitmaakt van die strakke standaardtaalnorm dan maar meteen als een afwijking geframed wordt.

Laat dat nu net zijn wat zo prominent naar voren komt in Oosterhofs column (het is een stuk van één pagina, onder de noemer Taalkronkels, dus laat ik het maar een ‘column’ noemen): al in de allereerste zin gaat het over “afwijken van de standaardtaalnorm”. Hoewel Oosterhof zelf benadrukt dat hij leraren die tussentaal gebruiken “niet wil afbranden”, is dat exáct wat hij in het stuk doet. Hoe valt de bewering dat tussentaalsprekende docenten “vluchtelingen in de eigen taal [zijn] en opgevangen moeten worden” anders te interpreteren? Dat is in mijn ogen een bijzonder grove geringschatting van het taalgebruik van bijzonder veel Vlaamse leerkrachten, die er zich wel degelijk van bewust zijn dat er Standaardnederlands van hen verwacht wordt, maar die ervoor kiezen om zich primair te focussen op de inhoud van hun lespraktijk, eerder dan op de vorm. Natuurlijk zou het in een ideale wereld en-en moeten zijn, maar de lesuren in een lerarenopleiding zijn beperkt, en het pakket te behandelen lesthema’s blijft maar toenemen – dan kan ik me perfect voorstellen dat er weinig tijd overblijft om gericht aan gesproken standaardtaalbeheersing te werken.

Het heeft mij enige tijd gekost om een gefundeerd antwoord te vinden op de vraag of leraren voor mij tussentaal mogen spreken of niet. Als lesgever in een opleiding Nederlands was het ex officio mijn plicht om het belang van gesproken Standaardnederlands te benadrukken (en dat deed ik dan ook nadrukkelijk en vol goede moed), maar als onderzoeker kwam ik terecht in tal van klaslokalen waarin op een veel lossere, meer open manier met taalgebruik en taalvariatie werd omgesprongen. Het heeft me tot een erg pragmatische houding gebracht: dat er in de klas ook taalvarianten te horen zijn die niet aan de strikte definitie van Algemeen Nederlands voldoen, lijkt mij geen probleem, op voorwaarde dat het taalgebruik dat de leraar hanteert (1) verstaanbaar is voor alle leerlingen, en (2) hun niet – op positieve of negatieve wijze – opvalt. Dat het eerste element van belang is, lijkt me vanzelfsprekend: bij leerlingen die niet kunnen begrijpen wat hun leraar zegt, komt het leerproces immers in gevaar. Het is echter niet zo dat alleen Standaardnederlands voldoet aan het selectiecriterium ‘verstaanbare vormen van Nederlands’, zoals sommige behoeders van de standaardtaal durven te stellen. Het tweede element vereist misschien wat meer uitleg, want of taalgebruik (niet-)opvallend is, dat is een erg subjectief criterium (net als verstaanbaarheid trouwens, maar goed). Tijdens mijn onderzoek heb ik leerlingen weleens horen praten over leerkrachten die continu in het lokale dialect lesgeven, terwijl die leerlingen – zelfs als de verstaanbaarheid niet in het gedrang komt – vinden dat dat toch wel écht niet past binnen een klascontext. Op zulke momenten gaan ze eerder op het taalgebruik letten dan op de lesinhoud, en dan krijg je (potentieel) wél problemen.

Zolang er echter aan beide criteria voldaan is, dan is het wat mij betreft prima. In veel gevallen betekent dat dat het lokale dialect minder geschikt of gewoon ongeschikt is om les in te geven – tenzij in een aantal specifieke contexten. Om een humoristisch effect te bereiken bijvoorbeeld, zoals Oosterhof zelf aanhaalt, maar zoals ik vorig jaar in dit stukje schreef, zijn er nog wel een paar voorbeelden te bedenken. Maar hoeveel situaties zijn er waarin enkel standaardtaal kan? Waarin mijn pragmatische criteria van verstaanbaarheid en niet-opvallendheid onvoldoende zijn? Oosterhof brengt er slechts eentje in stelling: dictees. Daar is het inderdaad problematisch als er eens een eind-t of een begin-h uitvalt, of als een goedbedoelende West-Vlaming het over een hlad wehdek ‘glad wegdek’ heeft – maar ik mag hopen dat leraren voldoende geprofessionaliseerd zijn om dat zelf ook te beseffen, en in te grijpen als zou blijken dat hun leerlingen daardoor systematische spellingproblemen hebben.

Alleen: is die ene context wel genoeg om – zoals in de titel gebeurt – te concluderen dat leraren dan maar gewoon géén tussentaal kunnen of mogen gebruiken? Oosterhof doet wat lacherig over wat hij mijn ‘compassie-argument’ noemt (in het kort: de idee dat Vlamingen door al die standaardtaalfixatie weer gaan twijfelen aan zichzelf en hun taalbeheersing), en misschien heeft hij wel een punt: ik betwijfel dat er veel leraren wakker liggen van hun al dan niet standaardtalige taalgebruik in de klas – en maar goed ook. Het enige wat hij daartegenover echter in stelling brengt, is een weinig subtiel verwoord hellendvlakargument:

“Het standpunt dat leraren mogen spreken zoals ze willen, opent de deur niet alleen voor tussentaal, maar ook voor andere variëteiten in Vlaanderen én Nederland. Bijvoorbeeld voor Poldernederlands, dialecten, etnolecten. Dan ga ik hun weer als onderwerp gebruiken en is het ook prima als een docent het heeft over ‘de meisje’.”

Het is een klassieke drogreden in de wondere wereld van het standaardtaal-of-tussentaaldebat: waar gaat dat eindigen, als we dit toelaten? Om zijn punt te maken, sleept Oosterhof er nog een paar notoire klassiekers in het genre bij, zoals het eeuwige noemen-versus-heten of het gebruik van hun als onderwerpsvorm, maar ook hier geldt: als het verstaanbaar is en niet opvalt, is er wat mij betreft geen bezwaar. ‘Verstaanbaarheid’ en ‘opvallendheid’ lijken me trouwens (didactisch) nuttigere labels dan ‘standaardtaal’ of ‘tussentaal’ (want daartussen valt toch geen gedegen onderscheid te maken, en zowat iedereen mengt de twee door elkaar), én bieden je als leraar de gelegenheid om in discussie te gaan met je leerlingen over heldere communicatie, en wat daar allemaal bij komt kijken. Kijk, meteen een mooie lestip erbij.

Van ‘hun hebben’ tot ‘op je sjtrepen staan’: de taalkundige relevantie van Mijn Pop-Uprestaurant

Wie mij een beetje kent, weet het al, maar voor de anderen even een kleine bekentenis: ik ben een grote fan van reality-tv. De afgelopen weken en maanden werd ik dan ook op m’n wenken bediend, met De Mol (Vier) op maandag, Temptation Island (Vijf) op woensdag en een nieuw seizoen van Mijn Pop-Uprestaurant (vtm) op dinsdag en donderdag. Elke dag iets om naar uit te kijken na alweer een veel te lange werkdag (dat doctoraat schrijft helaas zichzelf niet) – de guilty pleasures volgen elkaar in ijltempo op.

Maar nu heb ik een reden gevonden om me niet meer guilty te voelen bij zoveel realitygeweld: die programma’s zijn immers taalkundig bijzonder interessant. Dit semester bestuderen een aantal studenten in het kader van hun bachelorproef het (standaard)taalgebruik in formele en, euh, minder formele tv-programma’s, om zo na te gaan of er opmerkelijke verschillen opduiken. Komen er in informele tv-programma’s bijvoorbeeld opvallend minder deleties van begin-h (ij eeft voor hij heeft) of eind-t (nie voor niet) voor dan in formele programma’s? Hoe frequent wordt een expletief dat gebruikt (Ik weet niet of dat hij dat gezien heeft)? Als zou blijken dat dergelijke ‘typische’ tussentaalkenmerken het ook tot in formelere programma’s (genre TerZake of De Afspraak) weten te schoppen, dan zegt dat veel over de evolutie van het Nederlands in Vlaanderen: het zou kunnen betekenen dat de standaardtaalnorm breder wordt, of dat er zich naast de ‘formele’ standaardtaal ook een ‘informele’ standaardtaal aan het vormen is.

mijn-pop-uprestaurant_wit
Realitykijkvoer op dinsdag én donderdag (Bron: Medialaan)

Mijn Pop-Uprestaurant is een van de vier ‘informele’ programma’s die bestudeerd worden. Over het taalgebruik van Amanda, Jan en Miette – de drie personen die we van naderbij bekijken – zal ik het later nog wel eens hebben, maar in Pop-Up duikt er nog veel meer taalkundig fraais op. Een week of twee geleden hoorde ik Sven, de sympathieke kok van de Grieks-Genkse pop-up Kommáti, opeens ‘hun hebben’ gebruiken, met het gebruik van ‘hun’ als onderwerp.

Opvallend, want hoewel ‘hun’ in Nederland erg frequent wordt gebruikt als subject (maar nog steeds afgekeurd wordt), hoor je het in Vlaanderen zo goed als nooit. Sven was de eerste Vlaming die ik het ‘in het wild’ hoorde gebruiken – al wist een collega me kort erna te vertellen dat José De Cauwer, ex-wielrenner en huidig wielercommentator bij de vrt, het ook frequent bezigt. Als dat klopt, valt dat nog vrij eenvoudig te verklaren: De Cauwer reed jarenlang bij Nederlandse wielerploegen, en was – toch volgens Wikipedia – jarenlang de persoonlijke helper van Hennie Kuiper. Hoe Sven, de kokende ‘Minion’ uit Brasschaat, bij ‘hun hebben’ terecht is gekomen, blijft vooralsnog echter een raadsel.

media_xll_8410823
De zes duo’s van Mijn Pop-Uprestaurant 2016 (Foto: Medialaan)

In de aflevering van gisteren was het alweer bingo, en nog maar eens in Genk: in L’Oro Nero, het Italiaanse pizza-en-cocktailrestaurant van Giordano en Myrthe, liep het helemaal fout in de keuken. Giordano snauwde z’n personeel af, gelardeerd met een paar fucking’s hier en daar (naar het goeie voorbeeld van jurylid Sergio Herman), en maakte zichzelf er zo niet meteen sympathieker op…

Wat echter vooral opviel: door al die ongebreidelde emotie kwamen er opeens verschillende kenmerken van het Cités bovendrijven, een soort straattaal die in de tweede helft van de vorige eeuw ontstond in Limburg, uit de mengtaal die de uit Italië, Turkije en Griekenland geïmporteerde mijnwerkers gebruikten om met elkaar te kunnen communiceren. Nu is het vooral de taal van de jongeren uit de cités, de arbeiders- en migrantenwijken in de steden. Over dat Cités valt bijvoorbeeld hier of hier meer te lezen, en hier hoor je linguïste Stefania Marzo er meer over vertellen, maar één van de opvallendste kenmerken ervan is de uitspraak van de begin-s als sj-, op voorwaarde dat er een of meer medeklinkers op volgen. Stijl wordt dan bijvoorbeeld sjtijl.

Nu deed Giordano dat in vorige afleveringen ook wel al, maar in de aflevering van gisteren viel het wel héél erg op. Ook op Twitter, zo bleek, want ondanks het feit dat de sj-klank gebruikt wordt door een immer groeiend aantal Limburgse jongeren én het populaire personage Smos uit de vtm-reeks (en -film) Safety First, wordt Giordano er opeens wel erg nadrukkelijk op afgerekend:

Terwijl Smos de sj-klank weet te gebruiken om gevoelens van gezelligheid en sympathie op te roepen, ook bij niet-Limburgers, gaat het bij Giordano compleet de andere kant uit: kijkers associëren zijn sjtijl vooral met arrogantie en misplaatst egocentrisme. Zo gaat het trouwens wel vaker met opvallende (‘saillante’) taalkenmerken: net omdat ze zo herkenbaar en prominent zijn, kunnen ze meerdere functies hebben. Zo is een West-Vlaming die zijn g’s en h’s verwart misschien wel authentiek en gezellig in Eigen Kweek of Bevergem, maar toch veeleer een lompe boer in pakweg Het Journaal of De Zevende Dag. Nu nog uitvissen in welke categorie Marvin van Temptation Island thuishoort.