Tussentaalkronkels

Morgen ben ik precies een maand aan de slag binnen het Onderwijscentrum Gent, als deel van het team Onderwijsontwikkeling. Ik mag er bezig zijn met geweldig boeiende thema’s als meertaligheid en OKAN (Onthaalklassen voor Anderstalige Nieuwkomers), die qua maatschappelijke relevantie toch net dat tikkeltje beter scoren dan het thema waar ik de afgelopen zes jaar voor mijn doctoraatsonderzoek mee bezig ben geweest: tussentaal in de klas. Ik had mezelf dan ook voorgenomen om, nu mijn proefschrift geschreven én verdedigd is, het hele tussentaalverhaal maar meteen voor eventjes op te bergen. Op den duur ben je immers – na steeds opnieuw dezelfde discussies – wel uitverteld.

geentussentaal

De kop van het bewuste Over Taal-stuk

Ik heb me dan ook weten in te houden toen er nogal wat reactie kwam op de stukken in de pers naar aanleiding van mijn promotie (een nieuwe job die je voltijds bezighoudt helpt daarbij ook wel), maar op het gisteren verschenen stuk van voormalig collega Albert Oosterhof, waarmee het tijdschrift Over Taal vol uitpakt op zijn website, wil ik wél nog eens reageren. Onder de veelzeggende titel Leraren mogen géén tussentaal gebruiken stelt Oosterhof naar aanleiding van mijn doctoraatsonderzoek vast dat tussentaal “steeds salonfähiger [wordt] als onderwijstaal”, wat voor hem een “problematische ontwikkeling” is. Op zich is dat een te verdedigen standpunt: een van de vaststellingen in mijn proefschrift is inderdaad dat bepaalde omgangstalige kenmerken – met voorop de weglating van de begin-h (ij ‘hij’) of de eind-t (nie ‘niet’) en het gebruik van ge/gij voor ‘je/jij’ – door veel leraren in de klas niet langer als problematisch worden beschouwd, en ik kan me voorstellen dat niet iedereen dat even leuk vindt. Het is trouwens met opzet dat ik zulke kenmerken nu ‘omgangstalig’ noem, en niet ‘substandaardtalig’: op zich is een zin als ge moed u nie aast’n niet minder waard dan de standaardtalige tegenhanger je moet je niet haasten. 

Het hoeft echter geen betoog dat er in de hoofden van veel Vlamingen wél een hiërarchisch onderscheid bestaat tussen beide zinnen: de verwoede pogingen die er tussen de jaren 50 en 80 van de vorige eeuw zijn geweest om de standaardtaal ingang te doen vinden, hebben ertoe geleid dat standaardtaal als de beste, mooiste, meest aangename variëteit wordt beschouwd. Op zich opnieuw geen bezwaar – over smaak valt niet te twisten – maar het wordt wél problematisch als alles wat géén deel uitmaakt van die strakke standaardtaalnorm dan maar meteen als een afwijking geframed wordt.

Laat dat nu net zijn wat zo prominent naar voren komt in Oosterhofs column (het is een stuk van één pagina, onder de noemer Taalkronkels, dus laat ik het maar een ‘column’ noemen): al in de allereerste zin gaat het over “afwijken van de standaardtaalnorm”. Hoewel Oosterhof zelf benadrukt dat hij leraren die tussentaal gebruiken “niet wil afbranden”, is dat exáct wat hij in het stuk doet. Hoe valt de bewering dat tussentaalsprekende docenten “vluchtelingen in de eigen taal [zijn] en opgevangen moeten worden” anders te interpreteren? Dat is in mijn ogen een bijzonder grove geringschatting van het taalgebruik van bijzonder veel Vlaamse leerkrachten, die er zich wel degelijk van bewust zijn dat er Standaardnederlands van hen verwacht wordt, maar die ervoor kiezen om zich primair te focussen op de inhoud van hun lespraktijk, eerder dan op de vorm. Natuurlijk zou het in een ideale wereld en-en moeten zijn, maar de lesuren in een lerarenopleiding zijn beperkt, en het pakket te behandelen lesthema’s blijft maar toenemen – dan kan ik me perfect voorstellen dat er weinig tijd overblijft om gericht aan gesproken standaardtaalbeheersing te werken.

Het heeft mij enige tijd gekost om een gefundeerd antwoord te vinden op de vraag of leraren voor mij tussentaal mogen spreken of niet. Als lesgever in een opleiding Nederlands was het ex officio mijn plicht om het belang van gesproken Standaardnederlands te benadrukken (en dat deed ik dan ook nadrukkelijk en vol goede moed), maar als onderzoeker kwam ik terecht in tal van klaslokalen waarin op een veel lossere, meer open manier met taalgebruik en taalvariatie werd omgesprongen. Het heeft me tot een erg pragmatische houding gebracht: dat er in de klas ook taalvarianten te horen zijn die niet aan de strikte definitie van Algemeen Nederlands voldoen, lijkt mij geen probleem, op voorwaarde dat het taalgebruik dat de leraar hanteert (1) verstaanbaar is voor alle leerlingen, en (2) hun niet – op positieve of negatieve wijze – opvalt. Dat het eerste element van belang is, lijkt me vanzelfsprekend: bij leerlingen die niet kunnen begrijpen wat hun leraar zegt, komt het leerproces immers in gevaar. Het is echter niet zo dat alleen Standaardnederlands voldoet aan het selectiecriterium ‘verstaanbare vormen van Nederlands’, zoals sommige behoeders van de standaardtaal durven te stellen. Het tweede element vereist misschien wat meer uitleg, want of taalgebruik (niet-)opvallend is, dat is een erg subjectief criterium (net als verstaanbaarheid trouwens, maar goed). Tijdens mijn onderzoek heb ik leerlingen weleens horen praten over leerkrachten die continu in het lokale dialect lesgeven, terwijl die leerlingen – zelfs als de verstaanbaarheid niet in het gedrang komt – vinden dat dat toch wel écht niet past binnen een klascontext. Op zulke momenten gaan ze eerder op het taalgebruik letten dan op de lesinhoud, en dan krijg je (potentieel) wél problemen.

Zolang er echter aan beide criteria voldaan is, dan is het wat mij betreft prima. In veel gevallen betekent dat dat het lokale dialect minder geschikt of gewoon ongeschikt is om les in te geven – tenzij in een aantal specifieke contexten. Om een humoristisch effect te bereiken bijvoorbeeld, zoals Oosterhof zelf aanhaalt, maar zoals ik vorig jaar in dit stukje schreef, zijn er nog wel een paar voorbeelden te bedenken. Maar hoeveel situaties zijn er waarin enkel standaardtaal kan? Waarin mijn pragmatische criteria van verstaanbaarheid en niet-opvallendheid onvoldoende zijn? Oosterhof brengt er slechts eentje in stelling: dictees. Daar is het inderdaad problematisch als er eens een eind-t of een begin-h uitvalt, of als een goedbedoelende West-Vlaming het over een hlad wehdek ‘glad wegdek’ heeft – maar ik mag hopen dat leraren voldoende geprofessionaliseerd zijn om dat zelf ook te beseffen, en in te grijpen als zou blijken dat hun leerlingen daardoor systematische spellingproblemen hebben.

Alleen: is die ene context wel genoeg om – zoals in de titel gebeurt – te concluderen dat leraren dan maar gewoon géén tussentaal kunnen of mogen gebruiken? Oosterhof doet wat lacherig over wat hij mijn ‘compassie-argument’ noemt (in het kort: de idee dat Vlamingen door al die standaardtaalfixatie weer gaan twijfelen aan zichzelf en hun taalbeheersing), en misschien heeft hij wel een punt: ik betwijfel dat er veel leraren wakker liggen van hun al dan niet standaardtalige taalgebruik in de klas – en maar goed ook. Het enige wat hij daartegenover echter in stelling brengt, is een weinig subtiel verwoord hellendvlakargument:

“Het standpunt dat leraren mogen spreken zoals ze willen, opent de deur niet alleen voor tussentaal, maar ook voor andere variëteiten in Vlaanderen én Nederland. Bijvoorbeeld voor Poldernederlands, dialecten, etnolecten. Dan ga ik hun weer als onderwerp gebruiken en is het ook prima als een docent het heeft over ‘de meisje’.”

Het is een klassieke drogreden in de wondere wereld van het standaardtaal-of-tussentaaldebat: waar gaat dat eindigen, als we dit toelaten? Om zijn punt te maken, sleept Oosterhof er nog een paar notoire klassiekers in het genre bij, zoals het eeuwige noemen-versus-heten of het gebruik van hun als onderwerpsvorm, maar ook hier geldt: als het verstaanbaar is en niet opvalt, is er wat mij betreft geen bezwaar. ‘Verstaanbaarheid’ en ‘opvallendheid’ lijken me trouwens (didactisch) nuttigere labels dan ‘standaardtaal’ of ‘tussentaal’ (want daartussen valt toch geen gedegen onderscheid te maken, en zowat iedereen mengt de twee door elkaar), én bieden je als leraar de gelegenheid om in discussie te gaan met je leerlingen over heldere communicatie, en wat daar allemaal bij komt kijken. Kijk, meteen een mooie lestip erbij.

Advertenties

Een gedachte over “Tussentaalkronkels

  1. Mijn hoofdvraag bij discussies als deze blijft: hoe berisp je het meest efficiënt een leerling die zich altijd uit in tussentaal, in het Algemeen Nederlands?
    Ze lachen zich kreupel als je dat in het Algemeen Nederlands doet en dan heb je je doel echt niet bereikt. Versta me niet verkeerd, als ik een leerling berisp dan lacht er niemand meer op dat moment, maar achteraf ga je dubbel over de tong omwille van je taalgebruik. De boodschap blijft dus niet hangen, het taalgebruik wel.
    Als leerkracht ben je automatisch af en toe een gespreksonderwerp. Daar lig ik echt niet wakker van, maar ik raak mijn leerlingen wel graag. Ik sta niet voor de klas een boek voor te lezen. Ik breng de boodschap graag op een manier die bij voorkeur garandeert dat ze blijft hangen.
    Bovendien staat in mijn leerdoelen dat ik moet aansluiten bij de leefwereld van de leerlingen, dat ik mijn boodschap op de gepaste manier moet overbrengen… Zeer ruim te interpreteren, toegegeven, maar ik heb die leerdoelen niet opgesteld.
    Er gaapt een levensgrote kloof tussen de theorie en de praktijk en of je als leerkracht de nadruk legt op descriptief dan wel prescriptief overtuigen.
    Ik voer ook af en toe de discussie met ‘de jeugd van tegenwoordig’ en de meningen blijven gevarieerd: sommige leerlingen vinden het niet kunnen, anderen vinden het niet anders kunnen (en alles daartussenin doet zich ook voor).
    Er is eigenlijk niet zoveel veranderd in deze discussie, langzaam maar zeker wint tussentaal aan terrein, maar het gaat voor sommigen veel te traag. “Geduld is een schone gave,” zei mijn grootmoeder zaliger en daar moeten die ongeduldigen het dan maar mee doen. Het spijt me (niet echt). Je kan een Belg – en bij uitbreiding de mens – nu eenmaal moeilijk in een keurslijf dwingen, daar doet hij ‘chesjellich’ zijn zin mee, ook in deze…
    Taal is van de mensen, mensen zijn geen uitvoerders van een vastgespijkerde taal… Dat is dan weer voer voor psychologen en sociologen (misschien ook antropologen). Vakoverschrijdend? Graag!

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s