Waar spreken leerkrachten het standaardtaligst: in de les, tijdens de klassenraad of op het oudercontact?

Vandaag ben ik aan het laatste jaar van mijn mandaat als assistent aan de UGent begonnen, en mijn stemming wisselt een beetje tussen hoera (“al 5 jaar aan de slag, wat een mijlpaal!”) en oei-oei (“nog maar 1 jaar om dat doctoraat af te krijgen, en er is nog ongelofelijk veel te doen”). In die 5 jaar is er gelukkig ook al heel wat werk verzet, waaronder mijn veldwerk in basis- en secundaire scholen over heel Vlaanderen. Dat veldwerk was bijzonder boeiend, maar ook erg intensief en vooral tijdrovend: hoewel ik sowieso niet had verwacht dat leerkrachten zich bij bosjes voor mijn onderzoek zouden komen aanbieden, bleek het enorm moeilijk om leerkrachten te vinden die bereid waren om mee te werken. Een vreemde (maar hopelijk wel een sympathieke vreemde!) in je klas krijgen voor een observatie en een interview, en bovendien de hele tijd ook nog eens opgenomen worden, dat was verre van evident.

Ik ben dan ook bijzonder blij dat ik uiteindelijk genoeg leerkrachten heb kunnen observeren tijdens hun lessen, en dat ik ze uitgebreid heb kunnen interviewen over hoe hun visies op standaardtaal, taalvariatie en taalbeleid. Mijn beeld van het taalgebruik van leerkrachten bleef tot nu toe echter beperkt tot het taalgebruik in de les, aangevuld met die interviewsetting en flarden van gesprekken in de leraarskamer. Een gemiste kans is dat, want als we ook zouden weten hoe leerkrachten zich talig uitdrukken in andere situaties (klassenraden, oudercontacten, schoolreizen en -excursies, noem maar op), zou ons dat veel boeiende inzichten kunnen bieden: hoe verhoudt het taalgebruik in de les zich tot die andere situaties? In hoeverre (en op welke niveaus) passen leraren zich aan aan hun gesprekspartner(s) of doelpubliek? Hoe ziet het ‘taalrepertoire’ van de individuele leerkracht eruit – van zeer dialectisch tot erg standaardtalig, of is het spectrum veel beperkter? Hoe correleren die verschillen met de taalpercepties die we uit de interviews kunnen distilleren?

Tot nu toe bleven die vragen voor een groot deel onbeantwoord, om de eenvoudige reden dat het erg moeilijk is om als onderzoeker (lees: buitenstaander, vreemde) toegang te krijgen tot die onderwijscontexten: wie dacht dat het al moeilijk was om een les te observeren en op te nemen, moet maar eens proberen om een oudercontact of klassenraad bij te wonen. Bijna onmogelijk om met je dictafoontje binnen te geraken… tenzij je er natuurlijk zelf leerkracht bent. En ik had geluk, want dit jaar kwamen twee leerkrachten bij me aankloppen voor een scriptiethema binnen het thema taal en onderwijs, in het kader van hun postgraduaatsopleiding Nederlands. De twee bachelorscripties zijn intussen ingediend, en hoewel het opzet telkens vrij bescheiden is, zijn de resultaten interessant genoeg om uit te kijken naar vervolgonderzoek.

Beide leerkrachten zijn actief in een Oost-Vlaamse secundaire school, en konden dus vrij makkelijk – of toch makkelijker dan dat bij mij het geval zou zijn – toegang krijgen tot de klassenraad en het oudercontact. Elk vergeleken ze bij vier leerkrachten het taalgebruik (1) tijdens de les, (2) tijdens een klassenraad en (3) tijdens een oudercontact. Die drie settings zijn interessant om naast elkaar te leggen, omdat het doelpubliek in elk van de drie contexten verschilt: tijdens de les gaat een leerkracht in gesprek met leerlingen, tijdens een klassenraad met collega-leerkrachten, en tijdens een oudercontact met ouders. De relatie tussen de leerkracht en elk van die drie groepen is ook telkens anders: van een hiërarchische relatie tussen leerkracht en leerlingen (die weliswaar door de ene meer wordt benadrukt dan door de andere, maar sowieso bestaat) tot een relatie tussen ‘gelijken’ in de klassenraad. Hoe dat precies zit bij het oudercontact, is wat minder duidelijk: de transcripties laten daar zien dat soms de leerkracht het gesprek (en zijn of haar gesprekspartner) domineert, maar dat dat soms ook helemaal omgekeerd is.

De resultaten werden, mee ingegeven door de geringe onderzoekservaring van de twee studenten, op een vrij klassieke en ‘rudimentaire’ manier berekend: elk selecteerden ze een aantal typische tussentaalkenmerken (deleties van eind-t’s en begin-h‘s, diminutieven op -kege/gij in plaats van je/jij, enzovoort), om daarna lessen, klassenraden en oudercontacten te volgen (en op te nemen) bij vier leerkrachten. De opnames werden volledig getranscribeerd, en daarna werd er geteld hoe vaak de kenmerken voorkwamen. De verhouding tussen hoe vaak een kenmerk had kunnen voorkomen en hoe vaak dat kenmerk daadwerkelijk voorkwam, geeft ons een maat van het (niet-)standaardtalige gehalte van die opname. Als je vertrekt vanuit een aantal tussentaalkenmerken, kom je zo tot een ‘tussentaalindex’. Voor de deletie van de eind-t (da ‘dat’, nie ‘niet’) kan het resultaat bijvoorbeeld 95 keer wel en 5 keer niet een deletie zijn. Dan krijg je een tussentaalindex van 95% (95/100) voor dat kenmerk. Tel je voor verschillende kenmerken de absolute aantallen op, dan krijg je een snelle (en vrij duidelijke) inschatting van hoe ‘tussentalig’ (beter: ‘niet-standaardtalig’) het taalgebruik is.

Als ik de resultaten van mijn twee studenten naast elkaar leg, verschillen die indexen uiteraard van leerkracht tot leerkracht: er is vrij veel interpersoonlijke variatie, en terwijl de ene leerkracht in bepaalde contexten zeer standaardtalig praat (en in andere niet), spreekt de andere misschien net overal erg tussentalig. Door maar vier leerkrachten te bestuderen, kunnen je cijfers dan natuurlijk een vertekend beeld geven. De resultaten van beide studenten (b)lijken echter overeen te stemmen, waardoor ik toch een hypothese meen te kunnen distilleren: blijkbaar spreken leerkrachten standaardtaliger tijdens het lesgeven dan tijdens klassenraden of oudercontacten. 

Dat vind ik een boeiende conclusie, omdat ik ze niet meteen had verwacht: uit eerder onderzoek weten we dat leerkrachten tijdens het lesgeven erg frequent niet-standaardtalige kenmerken gebruiken (en mijn doctoraatsonderzoek wil net inzicht bieden in de vraag waarom ze dat doen), en ik had gedacht dat leerkrachten misschien wél standaardtaliger zouden spreken tijdens de klassenraad of het oudercontact. Klassenraden zijn immers vrij ‘formeel’ qua structuur, en soms zijn er ook leden van het directieteam aanwezig, wat alleen maar bijdraagt aan die formaliteit. Oudercontacten zijn dan weer een moment waarop leerkrachten een bepaalde indruk willen nalaten bij ouders, en waarbij hun voorbeeldfunctie vrij sterk doorweegt – zo vertelden verschillende leerkrachten me toch tijdens de interviews.

Als we naar de cijfers van mijn twee studenten kijken, krijgen we het volgende beeld te zien (voor een goed begrip geef ik mee dat het hier om standaardtaalindexen gaat, dus hoe hoger het percentage, hoe standaardtaliger):

  1. Informant 1: LES (61.5%) > KLASSENRAAD (60.6%) > OUDERCONTACT (52.3%)
  2. Informant 2: LES (70.7%) > OUDERCONTACT (58.3%) > KLASSENRAAD (54.3%)
  3. Informant 3: LES (92.3%) > OUDERCONTACT (66.9%) > KLASSENRAAD (64%)
  4. Informant 4: LES (91.5%) > OUDERCONTACT (80.6%) > KLASSENRAAD (73.8%)

Het valt op dat informanten 1 en 2 zich onderscheiden van informanten 3 en 4: bij die laatste twee informanten is het taalgebruik tijdens de les opvallend standaardtaliger. Bij de eerste twee informanten ligt dat percentage in de les al een stuk lager, en volgens de student in kwestie hangt dat ook samen met hoe die leerkrachten door hun leerlingen gepercipieerd worden, namelijk als “mild en toegeeflijk”. Afgezien van informant 1 is de klassenraad overal de minst standaardtalige, en uit de transcripties valt ook op dat die klassenraden in een vrij informele sfeer verlopen. Zelfs de aanwezigheid van leden van de directie doet daar weinig afbreuk aan. De oudercontacten nemen een tussenpositie in, en het grote verschil in scores (van 52.3% bij informant 1 tot 80.6% bij informant 4) correleert met de posities die de diverse leerkrachten innemen tijdens die contactmomenten: terwijl informanten 1 en 2 veel vertellen, en humor en anekdotes gebruiken om de boodschap over te brengen, zijn informant 3 en zeker informant 4 veel afstandelijker. Het taalgebruik reflecteert die verschillende ingesteldheid.

Deze eerste onderzoekjes laten dus interessante resultaten zien: het taalgebruik van leerkrachten varieert in de meeste gevallen vrij sterk, afhankelijk van de context, en het lijkt alsof de lescontext daarbij een van de meest standaardtalige contexten is. Om daar een beter beeld van te kunnen schetsen, moeten er uiteraard meer leerkrachten geobserveerd worden in meer van die situaties, en moet er ook een betere beoordelingsmaat gevonden worden dan die toch vrij rudimentaire ‘tussentaalindex’. Ik denk echter dat dat kwantitatief onderzoek minstens gepaard moet gaan met (en liefst zelfs voorafgegaan moet worden door) kwalitatief, etnografisch onderzoek, om de rol van de leerkracht tijdens die verschillende situaties van naderbij te bekijken. Misschien iets voor 1 september 2016, zodra dat doctoraat afgewerkt is!

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s