De Taaltelefoon rinkelt voort (maar met minder volk om ‘m op te nemen)

Tijdens mijn vakantie belandde bemoedigend nieuws in mijn mailbox in verband met de Taaltelefoon (waar ik het al eerder over had): op 17 juli besliste de Vlaamse regering om de plannen om de Taaltelefoon extern uit te besteden op te bergen. De taaladviesdienst blijft dus als (interne) overheidsdienst bestaan. Weg met het hakblok dus, maar in de plaats daarvan wordt de kaasschaaf bovengehaald: de dienst moet “geoptimaliseerd” worden, zoals dat in bobotaal zo mooi klinkt. Daarbij zullen wellicht 2 VTE’s (voltijdse equivalenten) sneuvelen, waardoor de volledige taaladviesdienst (met intern en extern taaladvies) van zeven op vijf mensen terugvalt. Over hoe dat precies moet gebeuren, is er echter nog niets bekend: dat zal pas duidelijk worden in de loop van de komende maanden. De Taaltelefoon blijft dus bestaan, al blijft veel nog steeds onduidelijk.

“Standaardtaal maakt van de wereld een vreedzamere plek”

Voor alle duidelijkheid: wat hierboven staat, is niet mijn overtuiging, maar die van de beruchtste barones van België, Mia Doornaert. Ik had haar column van vorige week woensdag in De Standaard bijna gemist, maar dankzij een tweet van collega Jan Stroop (Nederlandse taalkundige en afgelopen zaterdag nog op Radio 1 te horen) werd mijn aandacht er toch nog op gevestigd. Gelukkig maar!

Op naar Blendle dan maar, waar ik als niet-abonnee met plezier 19 cent neertelde om te weten te komen wat voor wonderlijks de barones dit keer te vertellen zou hebben over ons (of toch vooral haar) Standaardnederlands. De directe aanleiding was het Groot manifest der Nederlandse Taal, dat eind juni met veel bombarie gelanceerd werd. De kern van dat manifest krijgt trouwens mijn volledige steun: het is lovenswaardig dat zo veel academici een lans breken voor een betere taalvaardigheid in het Nederlands, en een publieke discussie daarover is broodnodig. Tegelijk mist het manifest echter focus, en biedt het weinig concrete oplossingen, zoals de analyse van Marten van der Meulen hier laat zien. Mia Doornaert schaart zich – uiteraard! – wel onverkort achter het manifest, en vindt dat de auteurs van het manifest het belangrijkste argument nog vergeten zijn: de wereld wordt ook een vreedzamere plek dankzij taal. Met taal bedoelt ze hier uiteraard standaardtaal, dat moge duidelijk zijn. In wat volgt, wil ik u graag even meenemen op een kleine discoursanalyse, om u te laten zien wat voor gedachten er door mijn hoofd schoten tijdens de lectuur van haar stuk. Nog een geluk dat het hier om een column gaat, zodat we ervan mogen uitgaan dat wat ze schrijft volledig voor eigen rekening is. Hieronder heb ik haar column overgenomen (in het vet), met mijn opmerkingen tussen haakjes (cursief).

Beter mooie woorden dan harde klappen

De manier waarop Ad Verbrugge het belang van taalvaardigheid bepleitte, kan Mia Doornaert wel bekoren. Maar hij vergat misschien wel het belangrijkste argument: taal kan ook een vreedzamer maatschappij teweegbrengen.

Een van de vreemdste zaken die ik ooit over taal las: ‘Iemand die zijn moedertaal spreekt, kan geen fouten maken’. Dat waanidee ((Uiteráárd is enkel de standaardtaal de ideale moedertaal, en die overleeft enkel bij de gratie van taalfouten. Wie iets anders beweert, verkondigt blijkbaar “vreemde” dingen en zelfs “waanideeën”)) komt van Jan Stroop, een Nederlandse taalkundige ((Al goed dat ze dat niet tussen aanhalingstekens heeft gezet, of naar de woordspeling “taal(on)kundige” heeft gegrepen))Tja, wie is die ‘iemand’? Een kind? Een scholier? En is onderwijs dan overbodig? ((Dat heb ik Stroop nergens zien of horen beweren. Het gaat hier om de moedertaal, en in tegenstelling tot wat sommigen zouden willen, verschilt die in het overgrote deel van de gevallen van het Standaardnederlands))

De vraag is ook wat moedertaal is. ((Aha, inzicht!)) Als daarmee de taal bedoeld wordt die kinderen thuis horen spreken, dan mag natuurlijk alles. Dan mag je, zoals menige West-Vlaming, ‘hij kwam rood’ zeggen voor iemand die bloosde. Dan is er niets mis met het ‘hun hebben dat gedaan’ van veel Nederlanders. ((Hier moet het antwoord uiteraard zijn: túúrlijk mag dat, maar niet in élke situatie. Retorisch natuurlijk goed gespeeld: kies twee bijzonder gemarkeerde taaluitingen van even gemarkeerde taalgroepen, en je hebt het pleit al bijna gewonnen))

Gelukkig krijgt dat waanidee ((Veel waanideeën vandaag!)) stevig tegengas, zoals onlangs nog in het uitstekende opiniestuk van de Nederlandse filosoof en muzikant Ad Verbrugge (DS 27 juni). Verbrugge waarschuwt dat de invoering van het Engels in het hoger onderwijs niet ten koste mag gaan van de rijkdom van het Nederlands. De beheersing van de eigen taal ((Hier kan het uiteraard enkel over de standaardvariëteit van het Nederlands gaan; de rest is in haar ogen ongetwijfeld niet eens “taal”)) is immers de voorwaarde om andere talen goed te leren, om te leren tout court. En die beheersing komt niet vanzelf. ((Een overtuiging die in haar discours vaak terugkeert: taal móét bloed, zweet en tranen kosten, en je moet je schuldig voelen als je die moeite niet doet))‘Om een taal werkelijk goed te leren spreken en schrijven moet je in een taalvaardige en taalrijke omgeving verkeren waarin je goede voorbeelden hebt. Je moet worden gestimuleerd en gecorrigeerd en je moet (spelenderwijs) leren om woorden en uitdrukkingen goed te gebruiken’, zegt hij terecht. ((Op zich geen verkeerde uitspraak, al ben ik ervan overtuigd dat Mia die “spelenderwijs” het liefst gewoon had geschrapt, afgaande op haar noeste taalarbeidsethos))

De Onsterfelijken

Kijk eens aan, ‘leren, ‘corrigeren’, er zijn nog mensen die in opvoeding en onderwijs geloven. ((Opvoeden en onderwijs, dat staat gelijk aan corrigeren: fouten verbeteren en afstraffen)) En die vinden dat, als kinderen – autochtone of allochtone – thuis die taalrijkdom niet meekrijgen, de school daar correctie moet op aanbrengen. ((Gek dat ze hier over “taalrijkdom” spreekt, terwijl ze hier vooral pleit voor een beperking van al die thuistalen en -taalvariëteiten naar één enkele taalvariëteit – in mijn ogen is dat veeleer taalverarming))

Dat is ook de recente boodschap van de Franse ‘Onsterfelijken’ ((ah, Les Immortels!)), de 39 leden van de Académie Française. ((Uiteraard kon het roemruchte Grote Voorbeeld niet ontbreken, al is Frankrijk evengoed bijzonder rijk aan taalvariatie, en trekt de gemiddelde Fransman zich níks van die Académie aan)) In een unanieme alarmkreet keren ze zich tegen de hervorming van het lager middelbaar (le collège). Die zal afstappen van klassieke kennisoverdracht, ten gunste van ‘transversale processen’. De académiciens, onder wie mensen met een uitgesproken links profiel ((Dat moest duidelijk nog eens in de verf worden gezet)), zijn in het bijzonder bezorgd over het gebrek aan aandacht voor het aanleren van de Franse taal. Ook de Onsterfelijken waarschuwen: toegeven aan la facilité versterkt de sociale ongelijkheden in de plaats van ze uit te vlakken. ((Alle goede bedoelingen ten spijt: een eenzijdige focus op de standaardtaal lost dat (erg reële) probleem evenmin op))

Er is nog een uiterst belangrijk argument om vanaf een jonge leeftijd taalrijkdom en taalvaardigheid bij te brengen. Niet alleen vlakt dit de verschillen in afkomst – sociaal of geografisch – uit. Het draagt ook bij tot een vreedzamer maatschappij. Talige mensen kunnen hun gevoelens en argumenten met nuances uiten, in een algemeen verstaanbare taal, als ze zich door iemand beledigd of gekwetst voelen. ((Nee! Door mensen een talig schuldgevoel aan te praten worden ze net taalarmer, en durven ze amper nog wat te zeggen. Van die schaamte raken we nu pas wat van af. Het is onzin om te beweren dat dialect- of tussentaalsprekers zich niet goed kunnen uitdrukken en dat in het Standaardnederlands plots wél goed zouden kunnen, laat staan dat ze daardoor naar wapens zouden grijpen)) En aldus persoonlijke conflicten vreedzaam aanpakken. Taalarme mensen kunnen zich sneller minderwaardig of vernederd voelen en misschien tot ‘slaander’ argumenten overgaan. ((WAT?))

Daarmee is natuurlijk absoluut niet gezegd dat minder taalvaardige mensen automatisch gewelddadiger zijn. ((Dat heb je net wél gezegd, Mia)) Maar toch bestaat er een groter gevaar dat de stoppen doorslaan als de verbale repliek blokkeert. La misère du Verbe fait la violence du poing, waarschuwde jaren geleden al de schitterende Franse commentaarschrijver Claude Imbert (Le Point, 8 februari 2007). ((Oja, diezelfde Claude Imbert die er trots op is dat hij een islamofoob is – fraai gezagsargument!))

In dat commentaarstuk, met als titel ‘Les mots pour le dire’, stelt Imbert stelt dat in Frankrijk de dagelijkse taal van het ‘gewone volk’ ((Het dedain druipt er intussen zowat van af)) verschraalt en verarmt, omdat ze niet meer goed onderwezen wordt ((En we weten intussen wat met “goed” onderwijs bedoeld wordt)). ‘En wat de meer elitaire taal ((ik dacht dat we in dit stuk net voor meer gelijkheid gingen, waarom zouden we dan iets als “elitaire taal” willen?)) betreft, de taal die aan de Literatuur haar rijkdom, aan de Wetenschap haar definities, aan het Recht zijn klaarheid geeft, die taal lijdt steeds meer aan bloedarmoede, sinds de zware aderlating van het humaniora.’

De samenhang van een maatschappij lijdt er inderdaad ((“Inderdaad”? Het bovenstaande lijkt me allesbehalve een pleidooi voor “de samenhang van een maatschappij”, maar goed)) ook onder als niet in de gezamenlijke cultuurtaal in dezelfde, bekende termen over dezelfde zaken en problemen gesproken wordt ((Dat gezamenlijke taalgebruik bestaat wél, in toenemende mate zelfs, maar het is inderdaad niet de taalvariëteit die de barones voor ogen heeft)). Goed taalonderwijs als ondersteuning van een harmonische samenleving, het is het overdenken meer dan waard.

Conclusie: geef iedere Vlaming een taaladviesboek naar keuze, laat ze verplicht alle afleveringen van Hier spreekt men Nederlands herbekijken en naar Marc Galle luisteren,  en de overbevolking in onze gevangenissen is ook meteen opgelost. Minister Geens kan zich alvast in de handen wrijven. En kijk, mijn dierbare stadsgenoot is al helemaal overtuigd:

Publieksbevraging VRT: “65% wil Algemeen Nederlands horen in alle VRT-programma’s”

Onlangs vond een nieuwe publieksbevraging plaats over het aanbod op de openbare omroep VRT. De bevraging werd uitgevoerd door de Universiteit Antwerpen bij 1.710 Vlamingen, en de resultaten ervan werden deze week voorgesteld in het Vlaams parlement, waar momenteel gewerkt wordt aan de nieuwe beheersovereenkomst voor de openbare omroep. De krant Het Nieuwsblad lichtte enkele interessante cijfers uit het rapport (dat hier te lezen is), en daarin komt ook een stelling over het gebruik van standaardtaal op de openbare omroep aan bod:

De VRT moet het Algemeen Nederlands hanteren in al haar programma’s.

Op die stelling antwoordt 65,2% van de ondervraagden “ja” (som van ‘eerder belangrijk’ en ‘heel belangrijk’). Ik kan me voorstellen dat sommigen dat best een hoge score vinden, en de stijging ten opzichte van 2010 is opvallend: toen was 52,8% het nog met de stelling eens. Tegelijk had ik verwacht dat de score nog hoger zou liggen: intussen weten we dat de modale Vlaming een hoge symbolische waarde toedicht aan het Standaardnederlands, en dan is het ook logisch dat daar voor de openbare omroep bepaalde verwachtingen aan gekoppeld worden. Het woord symbolische in de vorige zin is echter van belang: intussen weten we uit allerlei studies – waaronder ook mijn eigen onderzoek, tot op zekere hoogte – dat er een diepe kloof gaapt tussen het gepercipieerde belang van Algemeen Nederlands en de eigenlijke taalpraktijk.

De stelling op zich is trouwens nogal onzinnig: toen in 2012 het VRT-Taalcharter werd vernieuwd (iets waar ik toen ook over geschreven heb), werd daarin meer aandacht geschonken aan taalvariatie. In een interview met De Bond zegt taalraadsman Ruud Hendrickx daarover: “De kijker ziet ook het verschil tussen de kok Jeroen Meus, die geen vlekkeloos Nederlands hoeft te spreken, en een nieuwsanker. Die laatste gebruikt altijd standaardtaal. In bepaalde fictiereeksen kan daar wel van worden afgeweken.” Met andere woorden: op de openbare omroep is er niet alleen ruimte voor Algemeen Nederlands, maar ook voor andere taalvariëteiten en -varianten. Die taalkeuze hangt af van een aantal factoren: het medium (radio, tv of de website?), het genre (het journaal of een amusementsprogramma?) en dus ook de rol (een kok of een nieuwsanker?). Stellingen over “Algemeen Nederlands in alle VRT-programma’s” zijn misschien interessant op dat symbolische niveau – en bevestigen tot op zekere hoogte mijn verwachtingen – maar zijn eigenlijk vrij nietszeggend.

VRTbevraging1

VRTbevraging3

Dat blijkt trouwens ook als we er nog een andere stelling bijnemen, over dialect in VRT-programma’s:

In de fictieseries en amusementsprogramma’s van de VRT mag men dialect spreken.

Hier wordt wél expliciet een genreonderscheid gemaakt (fictie en amusement, in tegenstelling tot bijvoorbeeld nieuws- en informatieprogramma’s), maar daarbij wordt meteen naar dialect gepeild, in plaats van naar pakweg tussentaal. Dat laatste zou misschien ook wat moeilijker geweest zijn, aangezien niet elke Vlaming tussentaal (h)erkent als een specifieke taalvariëteit (of cluster van variëteiten) tussen standaardtaal en dialect in. Opvallend is hier dat 59,6% het eens is met de stelling – een beetje bizar, want daarnet vond ruim 62% van de informanten nog dat het altijd Algemeen Nederlands moest zijn. Het kan verkeren, wist Bredero al. Mij valt het trouwens vooral op dat veel informanten voor deze stelling het weinigzeggende midden opzoeken: bijna de helft van de informanten heeft ‘noch oneens, noch eens’ of ‘eerder eens’ aangeduid. Bij de stelling over Algemeen Nederlands wordt het ‘extreme’ standpunt (‘heel belangrijk’) wél vaak aangeduid – daar hebben we die symbolische waarde weer.

Als uitsmijter: voor beide stellingen wordt trouwens een geslachts- en een leeftijdsverschil gemeld. Vrouwen en oudere respondenten hechten meer belang aan het gebruik van Algemeen Nederlands in de programma’s van de VRT dan mannen en jongere respondenten, en dat geldt ook voor de toelaatbaarheid van dialect in fictiereeksen en amusementsprogramma’s. Hoe ouder men is, hoe hoger de kans dat men vindt dat de VRT het gebruik van dialect moet vermijden, ook in fictie en tv-amusement. Er blijkt ook – weinig verrassend – een verschil te zijn als we naar sociale klasse kijken: mensen met een hogere sociaal-economische status staan wat kritischer tegenover het gebruik van dialect op de openbare omroep.

VRTbevraging2

VRTbevraging4

Meer lezen: VRT-taalraadsman Ruud Hendrickx reageerde intussen ook op de cijfers, en wijst naar eerder onderzoek van de VRT-studiedienst uit 2011. Daaruit blijkt dat de Vlaming veel genuanceerder over omroeptaal denkt dan uit de cijfers hierboven blijkt. Theoretisch wil de Vlaming overal standaardtaal, maar in de praktijk hoeft het niet echt – al helemaal niet als hij zich met de spreker kan identificeren.

BronPaulussen, S., Panis, K., Dhoest, A., Van den Bulck, H. & Vandebosch, H. (2015). De Vlaming over de VRT. Publieksbevraging 2015. Onderzoeksrapport in opdracht van de Vlaamse Overheid, Departement Cultuur, Jeugd, Sport en Media. Antwerpen: Universiteit Antwerpen, Faculteit Sociale Wetenschappen, Departement Communicatiewetenschappen. 110 p