Dinsdag trekt het nieuwe schooljaar zich weer op gang. Voor het onthaalonderwijs voor nieuwkomers (OKAN) wordt het een start in mineur, want de Vlaamse regering hoopt vanaf september jaarlijks 15 miljoen euro te besparen door ingrijpend te snijden in de uren voor vervolgschoolcoaching. Die beleidskeuze was in maart al aangekondigd, maar de definitieve beslissing werd pas eind juni ook formeel – en in relatieve stilte – genomen door de Vlaamse regering.
Van 0,9 naar 0,3
Waar gaat het ook alweer over? Tot en met afgelopen schooljaar kregen OKAN-werkingen 0,9 uur per nieuwkomer voor vervolgschoolcoaching gedurende het eerste jaar na doorstroom naar het reguliere onderwijs, maar dat daalt vanaf september naar 0,3 uur. Het takenpakket dat bij de job hoort, is echter onveranderd gebleven: OKAN-scholen moeten met die uren instaan voor de “begeleiding, ondersteuning en opvolging van ex-onthaalleerlingen in het regulier onderwijs” en voor “expertise-overdracht en -opbouw in het regulier onderwijs met betrekking tot ex-onthaalleerlingen”. Coaches moeten daarbij minstens werken aan “het verbeteren van het begrip en de expertise van reguliere leerkrachten”, voorzien in “een goede doorstroming van leerlingeninformatie” en instaan voor “het onderhouden van contacten met de ex-onthaalleerlingen”.
Dat zijn veel opdrachten tegelijkertijd, wat ook blijkt uit de gemiddelde agenda van zo’n vervolgschoolcoach: van klassenraden bijwonen tot gesprekken voeren met leerlingen, van uitleg geven aan ouders tot coteachen met leraren, van feedback geven op cursusmateriaal tot taalondersteuning geven aan doorgestroomde nieuwkomers – individueel of in groepjes. Allemaal erg waardevol én met resultaat, maar bijzonder tijdsintensief.
Wat blijft daar vanaf september nog van over, met amper 0,3 lerarenuren per leerling? Dat komt neer op 15 minuten per leerling per week, en aangezien het werk van coaches met ex-OKAN-leerlingen soms niet stopt na één jaar én coaches in veel gevallen ook een rol opnemen in het oriënteringstraject van leerlingen die nog in OKAN zitten, zal de reële tijd per leerling wellicht eerder bij de 5 à 7 minuten per week liggen.
Knippen in aanbod
Eind vorig schooljaar werd er dan ook in alle OKAN-scholen druk nagedacht en overlegd over wat nog haalbaar zal zijn met zo weinig tijd en middelen. Waar liggen de prioriteiten, en wat zullen vervolgschoolcoaches niet langer kunnen doen? Ook in de regio Gent hebben we daar intensief rond samengezeten, met de 10 OKAN-scholen in de regio Gent: 6 in Gent zelf, plus de werkingen in omliggende steden zoals Deinze, Eeklo, Aalter en Zelzate.
We zijn er gelukkig in geslaagd om samen een aantal afspraken te maken, over de scholen en netten heen. Dat schept duidelijkheid voor de ruim 90 secundaire scholen waar nieuwkomers vanuit onze OKAN-werkingen naar doorstromen, maar evident zijn de keuzes die gemaakt werden allerminst. Ze snijden immers stuk voor stuk diep in (taal)ondersteuningsinitiatieven die écht werken voor nieuwkomers, en de besparingsingrepen zullen zonder enige twijfel een zichtbare impact hebben op zowel het taalleerproces en de schoolloopbaan van leerlingen, als op de kansen van leraren in vervolgscholen om zich te professionaliseren in het werken met ex-OKAN’ers.
Zo beslisten we in de regio Gent om individuele (taal)ondersteuning bij leerlingen zo goed als volledig te schrappen uit het aanbod van vervolgschoolcoaches. Dat is voor hen immers een bijzonder arbeidsintensieve opdracht – zeker omdat het om een-op-een-ondersteuning gaat – maar tegelijk leverde die aanpak op de langere termijn vaak erg veel op: niet alleen voor de leerlingen zelf, die een direct aanspreekpunt hadden voor ondersteuningsvragen, maar ook voor de leraren op de vervolgschool, die in overleg met de coach rechtstreekse input konden krijgen over hoe ze ex-OKAN-leerlingen het best konden vooruithelpen. Voor de coaches zelf was het bovendien een manier om het traject van leerlingen van nabij op te volgen, en op een directe(re) manier impact te hebben op het taalbeleid van scholen en de aanpak van individuele leraren. Daarvoor zullen ze nu een belangrijk instrument verliezen.
Er wordt noodgedwongen ook geknipt in andere handvatten die nochtans essentieel zijn voor een goede samenwerking tussen OKAN-scholen en vervolgscholen. Zo organiseerden we in onze regio nog snuffelstages voor elke OKAN-leerling die klaar is om door te stromen. Dankzij zulke stages kunnen leerlingen gedurende een of meerdere weken proeven van een mogelijke vervolgrichting, om daarna samen te evalueren of die richting een goede keuze kan zijn. Coaches gingen langs om te observeren in de klas, te spreken met leraren en ouders, en op basis daarvan samen met de leerling de beslissing te maken en vanuit de klassenraad een gedegen doorstroomadvies te formuleren. Dat versterkt de schoolloopbaan van OKAN-leerlingen merkbaar, maar omdat het veel tijd kost, zal het nu niet meer voor elke leerling kunnen.
Ook niet meer vanzelfsprekend, hoe waardevol het ook is: de aanwezigheid van vervolgschoolcoaches op klassenraden. Met name in de toelatingsklassenraad, die plaats moet vinden binnen de 35 dagen na de doorstroom van de leerling naar het regulier onderwijs, is de coach nochtans vaak goud waard: om toelichting te geven bij het eerdere traject van de leerling, om rechtstreeks te spreken met leraren over wat leerlingen vooruithelpt, en om te pleiten voor een groeigerichte blik – met focus op wat de leerling al kan, eerder dan op wat (nog) niet lukt. De regelgeving schrijft voor dat op zo’n toelatingsklassenraad verplicht iemand uitgenodigd moet worden die vanuit het OKAN-jaar “belast is met de ondersteuning, opvolging en begeleiding van de gewezen anderstalige nieuwkomer” – in wezen de vervolgschoolcoach dus. Maar hoe kun je dat nog blijven waarmaken met zo’n beperking qua middelen? De Raad van State formuleert in z’n advies trouwens dezelfde bedenking (p. 17), maar minister Demir maakt zich daarvan af door te stellen dat OKAN-werkingen evengoed de rest van hun omkadering kunnen inzetten voor vervolgschoolcoaching. Met andere woorden: verplicht beknibbelen op de ondersteuning van de eigen leerlingen in OKAN, om ex-OKAN-leerlingen (en hun leraren) voldoende te kunnen blijven helpen. OKAN-scholen zouden nooit gedwongen mogen worden om die keuze te maken.
Naar een expertrol
In de afspraken die we in onze regio hebben gemaakt, kun je een duidelijke rolverschuiving ontwaren: waar vervolgschoolcoaches vroeger nog (te) vaak ingezet werden in een sterk ondersteunende rol richting vervolgscholen, met individuele begeleiding van ex-OKAN-leerlingen en ondersteuning van leraren in de klas, willen we nu explicieter inzetten op de expertrol van coaches. Scholen en leraren kunnen hen aanspreken bij specifieke vragen vanuit het team, maar veeleer in tweede lijn: we vragen scholen om op hun eigen school een ankerfiguur aan te stellen, die eigen expertise opbouwt in het werken met ex-OKAN-leerlingen en het eerste aanspreekpunt is voor vragen van collega’s. Pas als dat niet volstaat, is de vervolgschoolcoach er om bij te springen. Dat impliceert een meer reactieve of vraaggestuurde aanpak, die meer teamondersteunend en minder leerlingenondersteunend zal zijn. Is het ook de beste aanpak? Zeker in het begin wellicht niet, om eerlijk te zijn, en we houden ons hart vast om de impact te zien van deze besparing op de schoolloopbanen van nieuwkomers. In de hoop dat die al zichtbaar zal worden, want er wordt amper gerapporteerd over hoe OKAN-leerlingen het doen op school, zeker niet op de langere termijn.
Eén klein lichtpunt in deze hervorming, vanuit de idee dat crisissen ook altijd kansen bieden, is dat we er door deze besparing mogelijk ook in kunnen slagen een hardnekkig pijnpunt in ons onthaalonderwijs aan te pakken. Zoals Laura Emery (VUB/UGent) enkele jaren geleden in haar doctoraatsonderzoek vaststelde, is er immers een grote behoefte aan meer gezamenlijke verantwoordelijkheid tussen OKAN-scholen en vervolgscholen in het onderwijstraject van nieuwkomers. Die twee zouden immers partners moeten zijn, maar vinden elkaar in de realiteit vaak nog niet voldoende.
De Vlaamse keuze voor een gescheiden onderwijsaanbod voor nieuwkomers, waarin gedurende één jaar bijna uitsluitend op taalverwerving Nederlands wordt gefocust, is daar een grote verklarende factor in. Door dat volledig aparte aanbod creëer je immers een breuklijn tussen OKAN en wat daarna komt, met een voor leerlingen vaak lastige transitie. Bovendien zorgt de toelatingsklassenraad ervoor dat alle beslissingsmacht bij de vervolgschool komt te liggen, terwijl de OKAN-school via de vervolgschoolcoach wel veel van het ondersteuningswerk op zich mag nemen. Dat zorgde al jaren voor een onevenwicht, dat nu – cynisch genoeg – aangepakt kan worden doordat coaches er gewoon niet meer in zullen slagen om die ondersteuning op te nemen zoals voorheen, en vervolgscholen dus (nog) meer dan vroeger mee zullen moeten helpen om nieuwkomers de steun te geven die ze nodig hebben.
Onzekere impact
Maar wat het allemaal zal geven dit schooljaar, dat weten we niet. Het is maar de vraag hoe sterk scholen geneigd zullen blijven om ex-OKAN’ers te ondersteunen met alle mogelijkheden die er zijn, als ze minder geruggensteund worden vanuit OKAN om daarop in te zetten. Zullen ze nog even happig zijn om flexibele trajecten mogelijk te maken en leerlingen vrij te stellen voor bepaalde vakken? Zullen ze vragen blijven stellen aan vervolgschoolcoaches als die niet meer zo makkelijk bereikbaar of aanspreekbaar zijn als vroeger? Wat zal het effect zijn op heroriënteringen, attesteringen of toelatingsklassenraden in OKAN? Geen idee, en het wordt bang afwachten.
Wat we wél weten, is dat de uitbreiding van de uren voor vervolgschoolcoach, exact 10 jaar geleden, voor een positieve dynamiek heeft gezorgd in de onderwijskansen voor nieuwkomers. Niet dat we daar veel data over hebben: het laatste grote onderzoek naar de schoolloopbanen van nieuwkomers dateert al van 2017 en ook de vroegere Rapporten Onthaalonderwijs van Agodi stierven in 2018 een stille dood. Vandaar dat we in het Taalunie-rapport OKAN/ISK en daarna (2023) en het VLOR-advies Sterk onthaalonderwijs door verbinding (2025) telkens ook de nadruk legden op het belang van dataverzameling en -monitoring, wat betreft de schoolloopbanen van nieuwkomers. OKAN-scholen moeten die data bovendien in handen krijgen, om zo hun kwaliteitszorg en (didactische) aanpak te kunnen evalueren en versterken.
Dat we er in de regio Gent toch van overtuigd zijn dat die extra uren vervolgschoolcoaching sinds 2016 het verschil hebben gemaakt voor leerlingen én vervolgscholen, baseren we dan ook vooral op onze eigen inzichten en analyses. Sinds 2020 werken we in onze 10 OKAN-scholen met een onderscheid tussen ‘vervolgschoolcoaches’ en ‘ondersteuningscoaches’. Elke vervolgschool krijgt zo’n ondersteuningscoach toegewezen, die als contactpersoon fungeert voor het schoolteam én aangesproken kan worden voor vragen over alle ex-OKAN’ers van die school, los van de OKAN-school waaruit die leerling is doorgestroomd. Dat maakt de aanpak efficiënter dan wanneer er meerdere vervolgschoolcoaches over de vloer moeten komen, elk om ‘hun’ leerlingen te ondersteunen. Uiteraard blijft een koppeling met de eigen OKAN-school wél van belang op de toelatingsklassenraad, bij heroriënteringen of bij psychosociale moeilijkheden. Dan komt de vervolgschoolcoach dus op de proppen.
Contradictorisch beleid
Zo hebben we in Gent – net zoals dat in OKAN-werkingen over heel Vlaanderen het geval is – jaar na jaar onze werking aangescherpt en geoptimaliseerd, waarbij uren steeds efficiënter werden ingevuld en we het maximale probeerden te doen met de uren die ons werden toebedeeld. Waren dat best wel veel uren, zoals minister van Onderwijs Zuhal Demir (N-VA) bij élke kritische parlementaire vraag over deze besparingen blijft oreren? Zeker. Het klopt inderdaad dat het OKAN-onderwijs een van de best gefinancierde stukken van ons onderwijs is. Natúúrlijk is dat zo, want het kan ook helemaal niet anders. Waar anders in het secundair onderwijs krijg je zo’n uiteenlopende mix van leerlingen – van expatkinderen tot niet-gealfabetiseerde jongeren die nog nooit naar school zijn geweest – met als enige gemeenschappelijke factor dat ze geen van allen Nederlands spreken? Waar anders blijft een school niet alleen verantwoordelijk voor de eigen leerlingen, maar ook voor leerlingen die al niet meer op die school zitten? Maar ook: waar anders zitten er zoveel leerlingen die zó gemotiveerd zijn om iets van hun onderwijsloopbaan te willen maken, die er echt voor willen gaan, en die geloven in de kracht van ons Vlaamse onderwijs?
Als er érgens een plaats is waar de ambities van onze minister – van meer aandacht voor het Nederlands tot een focus op structuur, gedrag en motivatie – samenkomen, dan is het wel in OKAN. In het basisonderwijs starten vanaf september zelfs zogenaamde ‘taalheldklassen’ op, met wat goede wil te beschouwen als een OKAN-afgeleide voor het basisonderwijs. Waarom kortwiek je dan als minister een gelijkaardige werking in het secundair onderwijs, die zo resoneert met de accenten die je wil leggen? Het is niet alleen contradictorisch beleid, het is ook beleid waar we op de langere termijn de kwalijke gevolgen van zullen zien. Ik hou mijn hart al vast voor de rode cijfers die we de komende jaren vanuit OKAN zullen zien komen, van heroriënteringen en attesteringen tot schooluitval. Misschien komt de politiek dan binnen een jaar of 10 wel aanzetten met de vraag: “Wat als we die uren vervolgschoolcoaching nu eens zouden uitbreiden?”
Plaats een reactie