Meer taalkunde in de klas: waarom en hoe?

Onlangs ging het op Neder-L over de vraag of beta- en gammawetenschappers zich zomaar aan onderzoek binnen de taalkunde mogen wagen, al dan niet gehinderd door enige taalkundige basiskennis. Over die discussie wil ik het vandaag niet hebben, maar een van de bijdragen aan het debat zette me wel verder aan het denken: Asya Pereltsvaig (Stanford University) plaatste op haar blog Languages of the World een reactie met de weinig tot de verbeelding sprekende titel If you are not a linguist… learn some linguistics first! Daarin veegt ze de vloer aan met de meeste argumenten aan het adres van taalkundigen die liever geen beta’s en gamma’s in de weg zien lopen.

Met één argument doet ze dat echter niet, om de simpele reden dat het een terechte opmerking is: de taalkunde zit met wat Pereltsvaig the poor PR problem noemt. Dat pr-probleem uit zich op twee manieren. Eén: de bevindingen van taalkundig onderzoek worden vaak in gesimplificeerde of ronduit foute vorm vermeld in de media, tot grote frustratie van de taalkundigen zelf, en het meeste “taalkundige onderzoek” dat in de media komt, is dan vaak nog afkomstig van die beta’s en gamma’s ook! Het is een verzuchting die ik intussen al vaak heb gehoord, en ik vraag me daarbij vooral af: doen taalkundigen dan eigenlijk wel genoeg inspanningen om hun onderzoek tot bij een groter publiek te krijgen? Sommige collega’s in de humanities (en ook daarbuiten) doen weinig tot geen moeite om veelbelovende onderzoeksresultaten in een persbericht, blogpost of zelfs maar een tweet te gieten, maar klagen dan wel dat journalisten hen nooit weten te vinden. Wetenschapscommunicatie moet van twee kanten komen, laat dat duidelijk zijn.

Twee: het brede publiek heeft vaak geen idéé van wat taalkunde nu eigenlijk precies inhoudt, en daar moet dringend verandering in komen. Hier ligt – nog maar eens – een belangrijke taak voor het onderwijs: in het basis- en secundair onderwijs wordt nu (te) weinig aandacht besteed aan taalkunde, en dat brengt ons hele vakgebied schade toe. Jaar na jaar hoor ik op de SID-in’s aspirant-neerlandici vertellen hoe ze Nederlands willen komen studeren uit liefde voor de Nederlandse literatuur, maar het aantal laatstejaars dat z’n hart heeft verloren aan de taalkunde kan ik nog steeds op één hand tellen – een gemiste kans, en het is niet evident om onze studenten in die paar verplichte vakken Nederlandse Taalkunde in de opleiding alsnog de liefde voor de linguïstiek bij te brengen (al doen we uiteraard ons uiterste best).

Als ik met leerkrachten Nederlands praat over die in mijn ogen gebrekkige aandacht voor taalkunde in de klas, krijg ik meestal een van de volgende antwoorden:

  1. “Ja inderdaad, vroeger moesten mijn leerlingen tenminste nog alle spellingregels kennen, terwijl ze nu niet eens de dt-regels kunnen onthouden!”
  2. “Moeten we dan echt weer met zinsontleding aan komen zetten?”
  3. “Euh, ik hou me zoveel mogelijk aan het handboek, en daarin komt taalkunde ook aan bod.”

De eerste twee antwoorden laten zien hoe beperkt het thema ‘taalkunde’ nog steeds geïnterpreteerd wordt: de meesten denken meteen aan spelling, zinsontleding en woordleer terug. De oudere generatie doet dat meestal met enige weemoed, de jongere vaak met onverholen gruwel (al geloof ik maar al te graag dat dat niet geldt voor wie van mij zinsontleding heeft gekregen, maar goed). Taalkunde in de klas kan en moet echter een stuk breder gaan dan dat traditionele grammaticaonderwijs (waarvan de leereffecten trouwens verre van zeker zijn). Door het taalkundige veld een stuk breder open te trekken, kan ongeveer élke leerling er wel iets naar zijn of haar smaak vinden. Thema’s als taalverandering en taalvariatie lenen zich bijvoorbeeld perfect voor kleine onderzoeksprojectjes in (en naast) de klas, zoals ik onlangs nog tijdens een workshop voor leerkrachten Nederlands liet zien, en zodra de leerlingen geënthousiasmeerd zijn, krijg je als leerkracht ook de kans om ze met minder evidente thema’s kennis te laten maken.

Goed, nu dat derde typische antwoord nog. Omdat er in de (recentste) leerplannen Nederlands meer aandacht wordt besteed aan taalbeschouwing, komt dat thema inderdaad ook in de handboeken Nederlands aan bod. De kwaliteit van de gebruikte bronnen laat echter te wensen over, zo stelde collega Johan De Schryver (KU Leuven – Campus Brussel) onlangs nog in een (zeer lezenswaardig) stuk in Over Taal over hoe taalvariatie behandeld wordt in handboeken Nederlands voor het secundair onderwijs:

Ook het bronnenbeleid bij de taalbeschouwing stelt teleur. De leerlingen krijgen geen beeld van het wetenschappelijk onderzoek over taalvariatie en de Vlaamse problematiek in het bijzonder. Ze krijgen enkel een aantal meningen voorgeschoteld, geen feitenmateriaal. Taaldeskundigen hebben nauwelijks een stem in de schoolboeken. Als ze al aan bod komen, is het doorgaans in hele korte stukjes uit de populaire media, waarin ze globale standpunten innemen.

Wat in handboeken Nederlands wordt aangeboden, volstaat (voorlopig) dus niet. Het is te generaliserend, te subjectief, en het mist vaak diepgang. Vervang de soundbites uit de handboeken liever door (iets) langere taalkundige artikelen uit populairwetenschappelijke tijdschriften voor het bredere publiek, zoals Over Taal (vooral Vlaams), Onze Taal (vooral Nederlands) of Neerlandia (Nederlands-Vlaams). Behalve meer diepgang heeft die werkwijze trouwens nog een bijkomend voordeel: je werkt op een geïntegreerde manier aan verschillende vaardigheden tegelijk.

In de derde graad is het meer dan wenselijk om vaardigheden zo veel mogelijk geïntegreerd aan te bieden en met andere leerplancomponenten te verbinden. Wie een tekst over een wetenschappelijk onderzoek naar taalverwerving laat lezen en structureren, werkt tegelijkertijd aan taalbeschouwing, lees- en schrijfvaardigheid. Een leerling die naar aanleiding van een roman over een bepaald thema ook een zakelijke tekst daarover leest en dan een beoordelende tekst schrijft, is zowel met literatuur, met lezen en schrijven aan de slag. Die manier van werken maakt het onderwijs levensecht, motiverend en werkt ook tijdsbesparend.

Leerplan Katholiek Onderwijs Vlaanderen derde graad ASO/KSO/TSO (D/2014/7841/001), p. 43. 

Het bovenstaande is uiteraard verre van nieuw: de vaststelling dat leerlingen écht wel warm kunnen worden gemaakt voor taalkundige thema’s werd al verschillende keren eerder gemaakt. Zo promoveerde de Nederlandse onderzoeker Ton Hendrix in 1998 in Nijmegen op het thema “taalkunde in de klas”. Onze Taal wijdde er toen een artikel aan, waarin het onderzoek verder wordt toegelicht. Hendrix schreef enkele cursussen waarin taalkundige onderwerpen aan bod kwamen, en leerkrachten Nederlands testten die uit. De leerlingen waren erg enthousiast over de lessen, en uit de eindtoetsen bleek dat ze ook zeer goed scoorden. De enige voorwaarde, aldus Hendrix, is dat er voldoende materiaal beschikbaar is, dat zowel voor leraren als voor leerlingen interessant is.

En dan komen we weer bij de taalkundigen terecht: zij moeten ervoor zorgen dat er lesmateriaal is waarin hun specialistische kennis op een begrijpelijke manier verwoord wordt, bijvoorbeeld door (ook) stukken in Over Taal of Onze Taal te publiceren. Op die manier krijgen ze meteen de kans om dat “poor PR problem” bij de wortel aan te pakken: taalkunde krijgt een plaats in het onderwijs, én taalkundig onderzoek raakt tot bij een ruimer publiek. Twee vliegen in één klap.

Een andere manier is om gewoon zélf een handboek te schrijven. Zowel in Vlaanderen als in Nederland zijn er pogingen geweest om dergelijke handboeken ingang te laten vinden in het secundair onderwijs: in Vlaanderen bijvoorbeeld het recent nog geüpdatete Taalboek Nederlands (Smedts & Van Belle), en in Nederland het in 2006 verschenen Taalkunde voor de tweede fase van het vwo (via Google Books kun je er stukken van inkijken). Dergelijke boeken hebben echter nooit écht de lessen Nederlands weten te veroveren, terwijl de courante methodes Nederlands het op het gebied van taalkunde dus nog steeds laten afweten.

Nochtans vormt taal een prominent onderdeel van onze samenleving: we maken er elke dag gebruik van, en het bepaalt in belangrijke mate hoe een cultuur vorm krijgt. Door jarenlang taalkundig onderzoek krijgen we als taalkundigen stilaan zicht op hoe mensen een taal leren, hoe taal verandert en hoe verschillende talen naast elkaar blijven bestaan. Dat leerlingen zo een diepgaander inzicht krijgen, kan ook maatschappelijke discussies ten goede komen: als we het in Vlaanderen nog maar eens over standaardtaal en tussentaal (moeten) hebben, bijvoorbeeld, of als anderstaligen opnieuw een veeg uit de pan krijgen voor hun ondermaatse Nederlands. Burgers met enig taalkundig inzicht kunnen dan voor een veel beter gefundeerd maatschappelijk debat zorgen, wat tot een sterker taalbeleid kan leiden. Als de voordelen zo groot zijn, dan is het toch jammer dat we zo ter plaatse blijven trappelen?

Eén laatste bedenking nog: al het bovenstaande heeft geen enkele kans op slagen als het initiatief enkel van de taalkundigen uit komt. Een dergelijke ‘top down’-benadering kan verstikkend werken als leerkrachten Nederlands niet overtuigd zijn van de meerwaarde van taalkunde in de klas. Een gedegen samenwerking met het veld is dus van primordiaal belang, en dan heb je nood aan zowel ‘top down’- als ‘bottom-up’-initiatieven. Waar zitten al die leerkrachten Nederlands met een passie voor taal en taalkunde? Hebben ze toegang tot de wetenschappelijke literatuur (Nederlandse Taalkunde of Taal en Tongval bijvoorbeeld, om maar twee tijdschriften te noemen die gratis beschikbaar zijn)? Kúnnen ze daar iets mee in de klas? Nu en dan zie ik wel eens een leerkracht op pakweg HSN met een veelbelovend project(je), maar al bij al blijft het aantal leerkrachten beperkt. Ontbreekt het geschikte materiaal? Zit het programma al te vol? Staat de directie er niet achter? Laat hun vak- of didactische kennis het niet toe? Of hebben de meeste leerkrachten gewoon niet de ambitie om eens iets nieuws uit te proberen? Dat laatste kan ik in elk geval niet geloven: sinds de lancering van onze Facebookgroep voor (Vlaamse) taalleerkrachten zie ik dagelijks nieuwe ideeën en tips verschijnen – zelfs tijdens de vakantie. Aan de liefde voor het vak kan het dus alvast niet liggen!

Over taalkunde in het onderwijs zijn talloze artikels, boeken en rapporten verschenen. Hieronder nog wat leestips, voor wie meer wil weten:

  • Enkele jaren terug verscheen een studie van Helge Bonset en Mariette Hoogeveen, waarin ze een inventarisatie maakten van het eerdere empirische onderzoek naar taalbeschouwing in het basis- en voortgezet onderwijs. Het rapport is hier terug te vinden. Bonset schreef er ook een – iets bondigere – bijdrage over voor het Tijdschrift Taal (jg. 2, nr. 3).
  • In 2010 verscheen met Linguistics at school. Language awareness in primary and secondary education (Denham & Lobeck 2010). In ruim twintig bijdragen wordt getoond hoe er in de Verenigde Staten (en daarbuiten) wordt omgesprongen met taalkunde in het basis- en secundair onderwijs.
  • In datzelfde jaar verscheen ook een speciale editie van Levende Talen, onder redactie van Ton Hendrix en Hans Hulshof, getiteld Taalkunde en het schoolvak Nederlands.
  • In dit (Engelstalige) artikel vertelt een leerkracht Engels uit de Verenigde Staten over ze haar leerlingen een semester lang heeft laten kennismaken met taalkunde in al haar facetten: fonetica, morfologie, taalverwerving, sociolinguïstiek, taalgeschiedenis, enzovoort. Ze bespreekt daarbij ook eerdere projecten, en de voor- en nadelen die ze zelf heeft ervaren.
Advertenties

De Taaltelefoon rinkelt voort (maar met minder volk om ‘m op te nemen)

Tijdens mijn vakantie belandde bemoedigend nieuws in mijn mailbox in verband met de Taaltelefoon (waar ik het al eerder over had): op 17 juli besliste de Vlaamse regering om de plannen om de Taaltelefoon extern uit te besteden op te bergen. De taaladviesdienst blijft dus als (interne) overheidsdienst bestaan. Weg met het hakblok dus, maar in de plaats daarvan wordt de kaasschaaf bovengehaald: de dienst moet “geoptimaliseerd” worden, zoals dat in bobotaal zo mooi klinkt. Daarbij zullen wellicht 2 VTE’s (voltijdse equivalenten) sneuvelen, waardoor de volledige taaladviesdienst (met intern en extern taaladvies) van zeven op vijf mensen terugvalt. Over hoe dat precies moet gebeuren, is er echter nog niets bekend: dat zal pas duidelijk worden in de loop van de komende maanden. De Taaltelefoon blijft dus bestaan, al blijft veel nog steeds onduidelijk.

“Standaardtaal maakt van de wereld een vreedzamere plek”

Voor alle duidelijkheid: wat hierboven staat, is niet mijn overtuiging, maar die van de beruchtste barones van België, Mia Doornaert. Ik had haar column van vorige week woensdag in De Standaard bijna gemist, maar dankzij een tweet van collega Jan Stroop (Nederlandse taalkundige en afgelopen zaterdag nog op Radio 1 te horen) werd mijn aandacht er toch nog op gevestigd. Gelukkig maar!

Op naar Blendle dan maar, waar ik als niet-abonnee met plezier 19 cent neertelde om te weten te komen wat voor wonderlijks de barones dit keer te vertellen zou hebben over ons (of toch vooral haar) Standaardnederlands. De directe aanleiding was het Groot manifest der Nederlandse Taal, dat eind juni met veel bombarie gelanceerd werd. De kern van dat manifest krijgt trouwens mijn volledige steun: het is lovenswaardig dat zo veel academici een lans breken voor een betere taalvaardigheid in het Nederlands, en een publieke discussie daarover is broodnodig. Tegelijk mist het manifest echter focus, en biedt het weinig concrete oplossingen, zoals de analyse van Marten van der Meulen hier laat zien. Mia Doornaert schaart zich – uiteraard! – wel onverkort achter het manifest, en vindt dat de auteurs van het manifest het belangrijkste argument nog vergeten zijn: de wereld wordt ook een vreedzamere plek dankzij taal. Met taal bedoelt ze hier uiteraard standaardtaal, dat moge duidelijk zijn. In wat volgt, wil ik u graag even meenemen op een kleine discoursanalyse, om u te laten zien wat voor gedachten er door mijn hoofd schoten tijdens de lectuur van haar stuk. Nog een geluk dat het hier om een column gaat, zodat we ervan mogen uitgaan dat wat ze schrijft volledig voor eigen rekening is. Hieronder heb ik haar column overgenomen (in het vet), met mijn opmerkingen tussen haakjes (cursief).

Beter mooie woorden dan harde klappen

De manier waarop Ad Verbrugge het belang van taalvaardigheid bepleitte, kan Mia Doornaert wel bekoren. Maar hij vergat misschien wel het belangrijkste argument: taal kan ook een vreedzamer maatschappij teweegbrengen.

Een van de vreemdste zaken die ik ooit over taal las: ‘Iemand die zijn moedertaal spreekt, kan geen fouten maken’. Dat waanidee ((Uiteráárd is enkel de standaardtaal de ideale moedertaal, en die overleeft enkel bij de gratie van taalfouten. Wie iets anders beweert, verkondigt blijkbaar “vreemde” dingen en zelfs “waanideeën”)) komt van Jan Stroop, een Nederlandse taalkundige ((Al goed dat ze dat niet tussen aanhalingstekens heeft gezet, of naar de woordspeling “taal(on)kundige” heeft gegrepen))Tja, wie is die ‘iemand’? Een kind? Een scholier? En is onderwijs dan overbodig? ((Dat heb ik Stroop nergens zien of horen beweren. Het gaat hier om de moedertaal, en in tegenstelling tot wat sommigen zouden willen, verschilt die in het overgrote deel van de gevallen van het Standaardnederlands))

De vraag is ook wat moedertaal is. ((Aha, inzicht!)) Als daarmee de taal bedoeld wordt die kinderen thuis horen spreken, dan mag natuurlijk alles. Dan mag je, zoals menige West-Vlaming, ‘hij kwam rood’ zeggen voor iemand die bloosde. Dan is er niets mis met het ‘hun hebben dat gedaan’ van veel Nederlanders. ((Hier moet het antwoord uiteraard zijn: túúrlijk mag dat, maar niet in élke situatie. Retorisch natuurlijk goed gespeeld: kies twee bijzonder gemarkeerde taaluitingen van even gemarkeerde taalgroepen, en je hebt het pleit al bijna gewonnen))

Gelukkig krijgt dat waanidee ((Veel waanideeën vandaag!)) stevig tegengas, zoals onlangs nog in het uitstekende opiniestuk van de Nederlandse filosoof en muzikant Ad Verbrugge (DS 27 juni). Verbrugge waarschuwt dat de invoering van het Engels in het hoger onderwijs niet ten koste mag gaan van de rijkdom van het Nederlands. De beheersing van de eigen taal ((Hier kan het uiteraard enkel over de standaardvariëteit van het Nederlands gaan; de rest is in haar ogen ongetwijfeld niet eens “taal”)) is immers de voorwaarde om andere talen goed te leren, om te leren tout court. En die beheersing komt niet vanzelf. ((Een overtuiging die in haar discours vaak terugkeert: taal móét bloed, zweet en tranen kosten, en je moet je schuldig voelen als je die moeite niet doet))‘Om een taal werkelijk goed te leren spreken en schrijven moet je in een taalvaardige en taalrijke omgeving verkeren waarin je goede voorbeelden hebt. Je moet worden gestimuleerd en gecorrigeerd en je moet (spelenderwijs) leren om woorden en uitdrukkingen goed te gebruiken’, zegt hij terecht. ((Op zich geen verkeerde uitspraak, al ben ik ervan overtuigd dat Mia die “spelenderwijs” het liefst gewoon had geschrapt, afgaande op haar noeste taalarbeidsethos))

De Onsterfelijken

Kijk eens aan, ‘leren, ‘corrigeren’, er zijn nog mensen die in opvoeding en onderwijs geloven. ((Opvoeden en onderwijs, dat staat gelijk aan corrigeren: fouten verbeteren en afstraffen)) En die vinden dat, als kinderen – autochtone of allochtone – thuis die taalrijkdom niet meekrijgen, de school daar correctie moet op aanbrengen. ((Gek dat ze hier over “taalrijkdom” spreekt, terwijl ze hier vooral pleit voor een beperking van al die thuistalen en -taalvariëteiten naar één enkele taalvariëteit – in mijn ogen is dat veeleer taalverarming))

Dat is ook de recente boodschap van de Franse ‘Onsterfelijken’ ((ah, Les Immortels!)), de 39 leden van de Académie Française. ((Uiteraard kon het roemruchte Grote Voorbeeld niet ontbreken, al is Frankrijk evengoed bijzonder rijk aan taalvariatie, en trekt de gemiddelde Fransman zich níks van die Académie aan)) In een unanieme alarmkreet keren ze zich tegen de hervorming van het lager middelbaar (le collège). Die zal afstappen van klassieke kennisoverdracht, ten gunste van ‘transversale processen’. De académiciens, onder wie mensen met een uitgesproken links profiel ((Dat moest duidelijk nog eens in de verf worden gezet)), zijn in het bijzonder bezorgd over het gebrek aan aandacht voor het aanleren van de Franse taal. Ook de Onsterfelijken waarschuwen: toegeven aan la facilité versterkt de sociale ongelijkheden in de plaats van ze uit te vlakken. ((Alle goede bedoelingen ten spijt: een eenzijdige focus op de standaardtaal lost dat (erg reële) probleem evenmin op))

Er is nog een uiterst belangrijk argument om vanaf een jonge leeftijd taalrijkdom en taalvaardigheid bij te brengen. Niet alleen vlakt dit de verschillen in afkomst – sociaal of geografisch – uit. Het draagt ook bij tot een vreedzamer maatschappij. Talige mensen kunnen hun gevoelens en argumenten met nuances uiten, in een algemeen verstaanbare taal, als ze zich door iemand beledigd of gekwetst voelen. ((Nee! Door mensen een talig schuldgevoel aan te praten worden ze net taalarmer, en durven ze amper nog wat te zeggen. Van die schaamte raken we nu pas wat van af. Het is onzin om te beweren dat dialect- of tussentaalsprekers zich niet goed kunnen uitdrukken en dat in het Standaardnederlands plots wél goed zouden kunnen, laat staan dat ze daardoor naar wapens zouden grijpen)) En aldus persoonlijke conflicten vreedzaam aanpakken. Taalarme mensen kunnen zich sneller minderwaardig of vernederd voelen en misschien tot ‘slaander’ argumenten overgaan. ((WAT?))

Daarmee is natuurlijk absoluut niet gezegd dat minder taalvaardige mensen automatisch gewelddadiger zijn. ((Dat heb je net wél gezegd, Mia)) Maar toch bestaat er een groter gevaar dat de stoppen doorslaan als de verbale repliek blokkeert. La misère du Verbe fait la violence du poing, waarschuwde jaren geleden al de schitterende Franse commentaarschrijver Claude Imbert (Le Point, 8 februari 2007). ((Oja, diezelfde Claude Imbert die er trots op is dat hij een islamofoob is – fraai gezagsargument!))

In dat commentaarstuk, met als titel ‘Les mots pour le dire’, stelt Imbert stelt dat in Frankrijk de dagelijkse taal van het ‘gewone volk’ ((Het dedain druipt er intussen zowat van af)) verschraalt en verarmt, omdat ze niet meer goed onderwezen wordt ((En we weten intussen wat met “goed” onderwijs bedoeld wordt)). ‘En wat de meer elitaire taal ((ik dacht dat we in dit stuk net voor meer gelijkheid gingen, waarom zouden we dan iets als “elitaire taal” willen?)) betreft, de taal die aan de Literatuur haar rijkdom, aan de Wetenschap haar definities, aan het Recht zijn klaarheid geeft, die taal lijdt steeds meer aan bloedarmoede, sinds de zware aderlating van het humaniora.’

De samenhang van een maatschappij lijdt er inderdaad ((“Inderdaad”? Het bovenstaande lijkt me allesbehalve een pleidooi voor “de samenhang van een maatschappij”, maar goed)) ook onder als niet in de gezamenlijke cultuurtaal in dezelfde, bekende termen over dezelfde zaken en problemen gesproken wordt ((Dat gezamenlijke taalgebruik bestaat wél, in toenemende mate zelfs, maar het is inderdaad niet de taalvariëteit die de barones voor ogen heeft)). Goed taalonderwijs als ondersteuning van een harmonische samenleving, het is het overdenken meer dan waard.

Conclusie: geef iedere Vlaming een taaladviesboek naar keuze, laat ze verplicht alle afleveringen van Hier spreekt men Nederlands herbekijken en naar Marc Galle luisteren,  en de overbevolking in onze gevangenissen is ook meteen opgelost. Minister Geens kan zich alvast in de handen wrijven. En kijk, mijn dierbare stadsgenoot is al helemaal overtuigd:

Waarom de Taaltelefoon moet blijven rinkelen*

Nu de storm aan opinies, verwijten en sussende berichten rond de besparingen bij de Taalunie weer is gaan liggen, blijkt de hakbijl nog niet definitief opgeborgen: dit keer (b)lijkt de Taaltelefoon op het blok te liggen. Het was Vlaams Parlementslid Bart Caron (Groen) die afgelopen weekend in De Zondag de kat de bel aanbond, na ongeruste berichten van medewerkers van de taaladviesdienst. De Vlaamse administratie stelt in het “kerntakenplan” voor om de Taaltelefoon – de dienst van de Vlaamse overheid waar elke burger om advies over taaladvies kan vragen – weg te bezuinigen, al is de weinig verrassende reactie van het kabinet van Vlaams minister-president Geert Bourgeois dat er op dit moment nog geen enkele beslissing is genomen. De Taaltelefoon bestaat sinds eind oktober 1999, en wil “op een systematische, efficiënte en klantgerichte wijze taaladvies verstrekken aan de burgers”. Sindsdien beantwoordde de Taaltelefoon zowat 150.000 taalvragen (dat het aantal vragen de laatste jaren daalt, heeft trouwens een goeie reden), waarmee ze de kwaliteit van het taalgebruik in Vlaanderen ondersteunt en een belangrijke en maatschappelijk relevante adviesrol vervult. De dienst wordt op dagelijkse basis gebruikt door journalisten, communicatiemedewerkers van bedrijven, leerkrachten, ambtenaren, juristen en zo veel andere taalprofessionals. Gisteren lieten die trouwens op een ludieke manier zien hoe een leven zonder Taaltelefoon er zou uitzien, onder de hashtag #copyzondertaaltelefoon op Twitter.

Nu wordt door de Vlaamse administratie dus voorgesteld om de dienst te privatiseren – niet alleen omdat “opdoeken” minder goed klinkt, maar ook omdat de Vlaamse regering decretaal verplicht is om een taaladviesdienst voor de burger te organiseren. Is een uitbesteding dan wel het beste idee? En welke private partner bezit voldoende expertise om de taken van de Taaltelefoon over te nemen? Het kleine aantal private dienstverleners dat in Vlaanderen met de materie bezig is, valt grotendeels terug op de adviezen van diezelfde Taaltelefoon. Wie als alternatief Taaladvies.net noemt, de taaladviessite van de Taalunie, weet niet dat beide diensten sterk met elkaar verstrengeld zijn: de Taaltelefoon fungeert als Belgische partner in het adviesoverleg van de Taalunie, zorgt voor erkenning en waardering voor de Vlaamse taaleigenheid, en beantwoordt ook de (Belgische) vragen die bij Taaladvies.net binnenkomen. In een stuk dat vandaag op Neder-L verscheen, vraagt Johan De Schryver (KU Leuven, campus Brussel) zich af of een privatisering wel écht zo’n slecht idee is – met verwijzing naar de post, die na de privatisering ook een performanter bedrijf is geworden. Voor De Schryver heeft Vlaanderen nood aan een gezaghebbende taaladviesdienst, waarop een democratische controle mogelijk is. Nu spreken verschillende taaladviesbronnen elkaar rijkelijk tegen, waardoor er “zoveel standaardtalen zijn als er taaladviesbronnen zijn”, en ook de schoolboeken Nederlands zijn in hetzelfde bedje ziek, zoals recent nog bleek uit het recentste nummer van Over Taal. Om uit die situatie te raken, is nood aan een gezaghebbende taalinstantie die dicht wil aansluiten bij de taalwerkelijkheid, zonder een eigen koers te willen varen, en de Taaltelefoon was en is op dat gebied aardig aan de weg aan het timmeren: net doordat de adviezen van de Taaltelefoon door zo veel andere spelers geraadpleegd en gebruikt worden, lijkt er in de taaladvisering van de laatste jaren een zekere convergentie waarneembaar. Dat het om een overheidsinstantie gaat, betekent dat ook aan het criterium ‘democratische controle’ is voldaan, zowel in de Interparlementaire Commissie (IPC) van de Nederlandse Taalunie als in de Commissie voor Cultuur, Jeugd, Sport en Media van het Vlaamse Parlement.

Dankzij Caron kwam de Taaltelefoon deze week in beide commissies aan bod: maandag zijdelings in de IPC-commissie, en vandaag ook in een parlementaire vraag aan Vlaams minister van Cultuur Sven Gatz (Open Vld). Gatz benadrukte in zijn antwoord dat er nog niets is beslist (of besproken) binnen de regering, en dat het voorstel enkel geopperd werd in het kader van het “kerntakenplan” van het Departement Kanselarij en Bestuur. Daarnaast bevestigde hij dat er momenteel geen enkele private partner bestaat met dezelfde expertise als de Taaltelefoon, zoals die met het Genootschap Onze Taal wél bestaat in Nederland. Verder wou hij zich echter nog niet uitspreken vooraleer er “binnen de schoot van de regering” over gesproken is.

* Met excuses voor de misschien wat knullige titel – helaas is het aantal mogelijke telefoonmetaforen vrij beperkt. Misschien is dat trouwens ook iets om over na te denken: moeten we de dienst nog wel met de term ‘Taaltelefoon’ aanduiden, als het aantal telefoontjes terugloopt? De naam op zich heeft misschien al een negatieve invloed op hoe het maatschappelijke belang van de dienst gepercipieerd wordt.

Lees meer opinies over de Taaltelefoon op Neder-L (hierhier en hier) en op de website van Miet Ooms.

Deze week verscheen bij Davidsfonds Typisch Vlaams. 4000 woorden en uitdrukkingen. Daarin bieden Ludo Permentier en Rik Schutz een uitgebreide versie van het begin dit jaar verschenen ‘Gele Boekje’ aan: ze bespreken ongeveer 4000 woorden en uitdrukkingen die in Nederland niet voorkomen, maar in Vlaanderen frequent te horen zijn. Wat betekenen die woorden precies, en waar komen ze vandaan? Voor dat boek, en voor de beoordeling van de woorden, kregen Permentier en Schutz hulp van – jawel – de Taaltelefoon.

Studieavond ‘Spelling, hoe speel je dat?’: naar een vernieuw(en)d spellingonderwijs?

Gisteren vond in Gent de studieavond Spelling, hoe speel je dat? plaats, georganiseerd door de onderzoeksgroep GoLLD (Vakgroep Vertalen, Tolken en Communicate, Universiteit Gent), uitgeverij De Boeck en het tijdschrift Over Taal. In de zaal zaten vooral leerkrachten Nederlands uit het secundair onderwijs, en de vrij hoge opkomst was een duidelijk bewijs dat spelling en spellingonderwijs hot topics zijn: aan spelling wordt een hoog (symbolisch) belang toegekend, zowel binnen als buiten het klaslokaal. De vier sprekers probeerden in hun bijdragen een aantal prominente vragen te beantwoorden: hoe staan leerlingen en studenten in 2015 tegenover spelling, en hoe scoren ze op spellingtests? Zijn leerkrachten strenger op spellinggebied dan pakweg HR-managers? Waarom vinden we dt-fouten zo erg? Hoe moet spellingonderwijs concreet vorm krijgen, en hoe zeker niet? En welke vernieuwende (elektronische) leermiddelen kunnen ons helpen om leerlingen beter te leren spellen?

Filip Devos presenteerde in zijn bijdrage de resultaten van een reeks eerdere onderzoeken, die hij alleen of samen met masterscriptie- en doctoraatsstudenten heeft uitgevoerd. In tegenstelling tot de negatieve berichten in de media en het parlement over hoe vreselijk de spelling van jongeren wel is geworden, blijken leerlingen vrij goed te scoren op spellingtests. Wie een talenopleiding volgt, scoort iets beter, maar zowat alle leerlingen scoren goed. Een kleine kanttekening daarbij: leerlingen scoren wél zwak tot zeer zwak als het over zinsontleding (grammatica) en kennis van de woordsoorten gaat. Devos onderzocht ook de attitudes van leerkrachten, en daaruit blijkt dat de leerkrachten hun leerlingen vrij goed kunnen inschatten: de spelling van leerlingen wordt als gemiddeld ingeschat, grammatica als erg zwak, mondelinge vaardigheden dan weer als vrij goed. Ook leerlingen schatten zichzelf op spelgebied goed in, zo blijkt: in de meeste gevallen zijn ze zeker van hun antwoord als ze een spellingtest invullen. In recent onderzoek, in samenwerking met Sofie De Worm, werd de attitude van leerkrachten tegenover spelling vergeleken met die van HR-managers – om te testen of de hardnekkige stelling dat sollicitatiebrieven met spelfouten erin meteen de prullenbak in vliegen wel steek houdt. Uit het onderzoek blijkt er geen verschil in attitude te zijn: HR-managers en leerkrachten zijn even streng. Dt-fouten staan trouwens met stip op één in de toptien van irritantste spelfouten.

Die conclusie vormde meteen een mooi bruggetje naar de tweede spreker, Dominiek Sandra. Die kennen we intussen vooral van zijn onderzoek naar de mentale processen achter dt-fouten, waar hij het ook nu over heeft in zijn bijdrage. Sandra ziet een paradox achter die dt-fouten: hoe komt het toch dat ze onuitroeibaar zijn, terwijl ze zo eenvoudig zijn, vroeg aangeleerd worden in het onderwijs, en sterk gesanctioneerd worden in dat onderwijs én de samenleving? Het antwoord ligt in ons brein, en meer bepaald in ons geheugen: als je schrijft, heeft je werkgeheugen het extra moeilijk met homofone vormen (zoals word/wordt), en heeft het tijd nodig om de zin die je aan het schrijven bent grammaticaal te analyseren en zo de juiste keuze te maken. Als je niet zo getraind bent in die analyses, of je hebt gewoon geen tijd om er goed over na te denken, loop je een hoog risico op dt-fouten. Je kan dan immers twee dingen doen: ofwel gok je gewoon, ofwel kies je voor de frequentste vorm. Het mentale lexicon in je langetermijngeheugen slaat die frequenties immers op, en weet welke werkwoorden vaker voorkomen in de eerste persoon enkelvoud (bv. ik vermoed) en welke in de derde persoon enkelvoud (bv. hij wordt). Als je een zin schrijft waarin net de minder frequente vorm correct is, is de kans op fouten dus groter.

Sandra’s onderzoek wordt vaak gebruikt (of misbruikt, zo je wil) om dt-fouten te legitimeren: aan dt-fouten moet je niet zwaar tillen, want ze zijn onvermijdelijk en de schuld van ons geheugen. Alleen: je kan ook het omgekeerde beweren, en dat kan je evengoed met hetzelfde onderzoek staven. Je zou immers ook kunnen zeggen dat je aan dt-fouten wél zwaar moet blijven tillen: als je weet dat ze ontstaan omdat je werkgeheugen te klein is, moet je je teksten extra goed nalezen, zodat je werkgeheugen de kans krijgt om fouten te detecteren en te verbeteren. Sandra kiest zelf voor een compromishouding, die situatieafhankelijk is: de ernst van dt-fouten hangt volgens hem af van de schrijfsituatie (heb je veel tijd om na te lezen, of sta je onder tijdsdruk?) en het type speller (ben je professioneel met taal bezig of niet?). Dat een leerling tijdens een examen een dt-fout schrijft, is dan veel minder erg dan dat een leerkracht Nederlands er eentje op het bord schrijft tijdens de les.

Jan Uyttendaele presenteerde in zijn bijdrage een indrukwekkende lijst van vuistregels voor het spellingonderwijs. Dat spellingonderwijs houdt nu immers vaak te weinig rekening met de strategieën, zowel direct als indirect, die leerlingen inzetten bij het spellen van woorden: het heeft geen zin om leerlingen losse letters te laten invullen in gatenoefeningen, of om ze de regels van het Groene Boekje uit het hoofd te laten leren. Uyttendaele pleit voor regels die zo eenvoudig en ondubbelzinnig mogelijk zijn, voor zelfredzaamheid onder leerlingen (laat ze zélf dingen opzoeken) en voor het inductief afleiden van spellingregels uit concrete voorbeelden. Spellingonderwijs moet ook dringend uit z’n isolement treden: het moet een onderdeel worden van schrijfonderwijs, in plaats van spelling-om-de-spelling te (willen) zijn. En misschien nog het belangrijkste: klassikale spellinglessen hebben weinig tot geen zin. Leerkrachten moeten op maat van de leerling werken, zodat leerlingen enkel bezig hoeven te zijn met hun eigen werkpunten. Dat zal de spellingattitude alleen maar ten goede komen.

Hoe krijgt dat spellingonderwijs van de toekomst precies vorm? In het slotstuk van de studieavond lichtte Ewald Peters, uitgever bij De Boeck, alvast een tipje van de sluier. Hij demonstreerde in zijn bijdrage een elektronische en volledig interactieve oefenomgeving. Leerlingen krijgen er onder meer geluidsfragmenten te horen, die ze dan zelf correct moeten uitschrijven. Het programma markeert fout gespelde woorden, geeft tips om het wél goed te doen en verwijst naar de bijbehorende spellingregels. Op die manier kunnen leerlingen hun eigen (spelling)leerproces volledig in eigen handen nemen. Tegelijk hekelde Peters ook de soms erg vage eindtermen en leerplannen: voor handboekenmakers is het allesbehalve eenvoudig om uit te maken welke spellingthema’s er precies behandeld moeten worden, en waar precies aan moet worden gewerkt. De schrijvers van handboeken moeten zelf een eigen systeem uitwerken en knopen doorhakken, en dat komt de uniformiteit van het spellingonderwijs niet altijd ten goede. Zelf pleit Peters voor een ‘gelaagdheid’ in de spellingregels, door de leerjaren heen: de basisregels aanbrengen in de lagere jaren, om die dan steeds verder te verfijnen in de hogere jaren.

Een slotsom maken van deze studieavond is niet eenvoudig: met de spellingkennis van jongeren blijkt het over het algemeen wel mee te vallen, maar toch blijft rond die spellingkennis -en attitudes nog steeds een waas van negativisme en determinisme hangen. De wel érg hoge maatschappelijke gevoeligheid voor spelfouten (en met name dt-fouten) is ongetwijfeld een verklarende factor, en zorgt ervoor dat spelling een blijvende prominente rol heeft in het onderwijs. Dat we daarbij van een leerkrachtgestuurde naar een leerlinggestuurde aanpak moeten, staat buiten kijf, maar het is maar de vraag hoe eenvoudig de logge tanker der spellingonderwijs te keren valt.

Uit de onderwijsbeleidsnota van Crevits: vijf krijtlijnen van het talenbeleid van de overheid

Gisteren dook de beleidsnota van Vlaams minister van Onderwijs Hilde Crevits (CD&V) op verschillende kranten- en nieuwswebsites op, en door tal van lekken bleek de pers de nota zelfs al een paar dagen geleden in handen te hebben gekregen. De eerste beschouwingen in de kranten focussen vooral op de aandacht voor het hoger onderwijs, de relatieve vaagheid wat de onderwijshervorming in het secundair onderwijs betreft (worden ASO, BSO en TSO nu afgeschaft of niet?) en de belofte om ‘vol vertrouwen en in dialoog te bouwen aan onderwijs’ – meteen ook de titel van de beleidsnota. Dat bouwen mag trouwens ook vrij letterlijk worden genomen, met de plannen voor nieuwe schoolinfrastructuur. Crevits pleit er in haar nota ook voor om de planlast voor scholen sterk af te bouwen, en benadrukt herhaaldelijk de autonomie van en het vertrouwen in scholen. Tegelijk vraag ik me bij veel voorstellen in de nota af (en ik ben niet de enige) of ze niet net tot méér regels en controles zullen leiden.

Nu, wat me vanuit mijn job vooral interesseert, is wat de minister in deze nota over taal en talenonderwijs te zeggen heeft. Het is nog niet duidelijk of Crevits net zoals haar voorgangers Vandenbroucke en Smet een talenbeleidsnota zal uitwerken, maar uit deze beleidsnota leid ik alvast vijf krijtlijnen af van het talenbeleid van de overheid voor de komende vijf jaar.

1. Kennis van het Nederlands blijft een nadrukkelijk aandachtspunt

Er wordt nog steeds nadrukkelijk ingezet op kennis van het Nederlands, het liefst zo vroeg mogelijk (Crevits wil de participatie aan het kleuteronderwijs nog verhogen), want “[k]ennis van het Nederlands is essentieel voor een volwaardige deelname aan het sociale en economische leven” (p. 32*). Het Nederlands beheersen wordt in de nota ook verbonden met kansen op sociale mobiliteit (p. 15). Het NT2-aanbod wordt dan ook versterkt, met meer gecombineerde leertrajecten, een sterker aanbod tijdens vakanties, weekends en avonden, en een aanbod met private aanbodverstrekkers om de hiaten in te vullen. De middelen voor het NT2-aanbod komen onder het beheer van de minister die bevoegd is voor inburgering (p. 32).

2. Task Force voor de Nederlandstalige scholen in de Vlaamse Rand

Het aantal leerlingen met een andere thuistaal dan het Nederlands blijft in de Nederlandstalige scholen in de Vlaamse Rand toenemen. In het basisonderwijs gaat het nu al om 37,8% (2013), in het secundair onderwijs om 25,8% (2013). Crevits richt een ‘Task Force Onderwijs Vlaamse Rand’ op om de scholen in de Vlaamse Rand verder te ondersteunen bij de implementatie van hun taalbeleid Nederlands (p. 53). De Task Force moet het bestaande studiemateriaal synthetiseren en analyseren, en de methodieken die ook effectief wérken (nog) actiever implementeren in de scholen.

3. Sterkere competenties in het Nederlands en in moderne vreemde talen

De minister wil de competenties van het Nederlands en de moderne vreemde talen blijvend verbeteren (p. 34), door in te zetten op een sterke taalvaardigheid en talenkennis. Crevits wil dat alle scholen een actief talenbeleid voeren, zodat de kennis van het Nederlands en de moderne vreemde talen wordt versterkt. In de vorige legislatuur werkte Smet al aan nieuwe eindtermen Nederlands; nu pleit Crevits voor “ambitieuzer […] geformuleerd[e]” (p. 35) eindtermen vreemde talen (Frans, Engels en Duits). Recente vernieuwingen (zoals de taalscreening) worden opgevolgd (p. 35).

Hier toch even een klein stukje persoonlijke interpretatie: in het kader van mijn eigen doctoraatsonderzoek valt het me op dat Crevits nergens in deze nota de begrippen Standaardnederlands of standaardtaal laat vallen – in tegenstelling tot Smet trouwens, die in zijn beleidsnota (uit 2009) nog stelde dat “[b]innen de taalvaardigheid bijzondere aandacht naar een verzorgd gebruik van de standaardtaal Nederlands [moet] gaan” (p. 29), en in zijn talenbeleidsnota (2011) nog een stuk verder ging in die nadruk op het Standaardnederlands. Voor Crevits (b)lijkt het te volstaan dat er op het Nederlands als taal wordt ingezet, zonder te discrimineren tussen bepaalde taalvariëteiten (maar misschien is dat een te positieve lezing van mijn kant).

4. CLIL mogelijk in secundaire scholen, basisscholen krijgen ruimte voor taalinitiatie

Secundaire scholen die in het CLIL-onderwijs (Content and Language Integrated Learning) willen instappen, zullen dat kunnen doen. Voor het basisonderwijs lijkt dat niet het geval te zijn, al laat de minister ook daar ruimte voor taalinitiatie in het Engels, Frans en Duits – op voorwaarde dat de leerlingen het Nederlands voldoende onder de knie hebben (p. 35).

5. Het ‘evenwicht’ tussen Nederlandstalig en anderstalig hogeronderwijsaanbod behouden

In het hoger onderwijs zijn er niet meteen taalgerelateerde veranderingen op til: het Nederlands wordt herbevestigd als de bestuurs- en onderwijstaal van de universiteiten en hogescholen, en tegelijk blijven de huidige mogelijkheden en voorwaarden om een anderstalig hogeronderwijsaanbod in Vlaanderen in te richten behouden, met het oog op de toenemende internationalisering (p. 35).

* De paginanummers die in deze bijdrage vermeld worden, corresponderen met een eerdere versie van de beleidsnota. Nu de lay-out is aangepast, kloppen niet alle verwijzingen nog. De citaten zijn wel nog steeds correct.