“Standaardtaal maakt van de wereld een vreedzamere plek”

Voor alle duidelijkheid: wat hierboven staat, is niet mijn overtuiging, maar die van de beruchtste barones van België, Mia Doornaert. Ik had haar column van vorige week woensdag in De Standaard bijna gemist, maar dankzij een tweet van collega Jan Stroop (Nederlandse taalkundige en afgelopen zaterdag nog op Radio 1 te horen) werd mijn aandacht er toch nog op gevestigd. Gelukkig maar!

Op naar Blendle dan maar, waar ik als niet-abonnee met plezier 19 cent neertelde om te weten te komen wat voor wonderlijks de barones dit keer te vertellen zou hebben over ons (of toch vooral haar) Standaardnederlands. De directe aanleiding was het Groot manifest der Nederlandse Taal, dat eind juni met veel bombarie gelanceerd werd. De kern van dat manifest krijgt trouwens mijn volledige steun: het is lovenswaardig dat zo veel academici een lans breken voor een betere taalvaardigheid in het Nederlands, en een publieke discussie daarover is broodnodig. Tegelijk mist het manifest echter focus, en biedt het weinig concrete oplossingen, zoals de analyse van Marten van der Meulen hier laat zien. Mia Doornaert schaart zich – uiteraard! – wel onverkort achter het manifest, en vindt dat de auteurs van het manifest het belangrijkste argument nog vergeten zijn: de wereld wordt ook een vreedzamere plek dankzij taal. Met taal bedoelt ze hier uiteraard standaardtaal, dat moge duidelijk zijn. In wat volgt, wil ik u graag even meenemen op een kleine discoursanalyse, om u te laten zien wat voor gedachten er door mijn hoofd schoten tijdens de lectuur van haar stuk. Nog een geluk dat het hier om een column gaat, zodat we ervan mogen uitgaan dat wat ze schrijft volledig voor eigen rekening is. Hieronder heb ik haar column overgenomen (in het vet), met mijn opmerkingen tussen haakjes (cursief).

Beter mooie woorden dan harde klappen

De manier waarop Ad Verbrugge het belang van taalvaardigheid bepleitte, kan Mia Doornaert wel bekoren. Maar hij vergat misschien wel het belangrijkste argument: taal kan ook een vreedzamer maatschappij teweegbrengen.

Een van de vreemdste zaken die ik ooit over taal las: ‘Iemand die zijn moedertaal spreekt, kan geen fouten maken’. Dat waanidee ((Uiteráárd is enkel de standaardtaal de ideale moedertaal, en die overleeft enkel bij de gratie van taalfouten. Wie iets anders beweert, verkondigt blijkbaar “vreemde” dingen en zelfs “waanideeën”)) komt van Jan Stroop, een Nederlandse taalkundige ((Al goed dat ze dat niet tussen aanhalingstekens heeft gezet, of naar de woordspeling “taal(on)kundige” heeft gegrepen))Tja, wie is die ‘iemand’? Een kind? Een scholier? En is onderwijs dan overbodig? ((Dat heb ik Stroop nergens zien of horen beweren. Het gaat hier om de moedertaal, en in tegenstelling tot wat sommigen zouden willen, verschilt die in het overgrote deel van de gevallen van het Standaardnederlands))

De vraag is ook wat moedertaal is. ((Aha, inzicht!)) Als daarmee de taal bedoeld wordt die kinderen thuis horen spreken, dan mag natuurlijk alles. Dan mag je, zoals menige West-Vlaming, ‘hij kwam rood’ zeggen voor iemand die bloosde. Dan is er niets mis met het ‘hun hebben dat gedaan’ van veel Nederlanders. ((Hier moet het antwoord uiteraard zijn: túúrlijk mag dat, maar niet in élke situatie. Retorisch natuurlijk goed gespeeld: kies twee bijzonder gemarkeerde taaluitingen van even gemarkeerde taalgroepen, en je hebt het pleit al bijna gewonnen))

Gelukkig krijgt dat waanidee ((Veel waanideeën vandaag!)) stevig tegengas, zoals onlangs nog in het uitstekende opiniestuk van de Nederlandse filosoof en muzikant Ad Verbrugge (DS 27 juni). Verbrugge waarschuwt dat de invoering van het Engels in het hoger onderwijs niet ten koste mag gaan van de rijkdom van het Nederlands. De beheersing van de eigen taal ((Hier kan het uiteraard enkel over de standaardvariëteit van het Nederlands gaan; de rest is in haar ogen ongetwijfeld niet eens “taal”)) is immers de voorwaarde om andere talen goed te leren, om te leren tout court. En die beheersing komt niet vanzelf. ((Een overtuiging die in haar discours vaak terugkeert: taal móét bloed, zweet en tranen kosten, en je moet je schuldig voelen als je die moeite niet doet))‘Om een taal werkelijk goed te leren spreken en schrijven moet je in een taalvaardige en taalrijke omgeving verkeren waarin je goede voorbeelden hebt. Je moet worden gestimuleerd en gecorrigeerd en je moet (spelenderwijs) leren om woorden en uitdrukkingen goed te gebruiken’, zegt hij terecht. ((Op zich geen verkeerde uitspraak, al ben ik ervan overtuigd dat Mia die “spelenderwijs” het liefst gewoon had geschrapt, afgaande op haar noeste taalarbeidsethos))

De Onsterfelijken

Kijk eens aan, ‘leren, ‘corrigeren’, er zijn nog mensen die in opvoeding en onderwijs geloven. ((Opvoeden en onderwijs, dat staat gelijk aan corrigeren: fouten verbeteren en afstraffen)) En die vinden dat, als kinderen – autochtone of allochtone – thuis die taalrijkdom niet meekrijgen, de school daar correctie moet op aanbrengen. ((Gek dat ze hier over “taalrijkdom” spreekt, terwijl ze hier vooral pleit voor een beperking van al die thuistalen en -taalvariëteiten naar één enkele taalvariëteit – in mijn ogen is dat veeleer taalverarming))

Dat is ook de recente boodschap van de Franse ‘Onsterfelijken’ ((ah, Les Immortels!)), de 39 leden van de Académie Française. ((Uiteraard kon het roemruchte Grote Voorbeeld niet ontbreken, al is Frankrijk evengoed bijzonder rijk aan taalvariatie, en trekt de gemiddelde Fransman zich níks van die Académie aan)) In een unanieme alarmkreet keren ze zich tegen de hervorming van het lager middelbaar (le collège). Die zal afstappen van klassieke kennisoverdracht, ten gunste van ‘transversale processen’. De académiciens, onder wie mensen met een uitgesproken links profiel ((Dat moest duidelijk nog eens in de verf worden gezet)), zijn in het bijzonder bezorgd over het gebrek aan aandacht voor het aanleren van de Franse taal. Ook de Onsterfelijken waarschuwen: toegeven aan la facilité versterkt de sociale ongelijkheden in de plaats van ze uit te vlakken. ((Alle goede bedoelingen ten spijt: een eenzijdige focus op de standaardtaal lost dat (erg reële) probleem evenmin op))

Er is nog een uiterst belangrijk argument om vanaf een jonge leeftijd taalrijkdom en taalvaardigheid bij te brengen. Niet alleen vlakt dit de verschillen in afkomst – sociaal of geografisch – uit. Het draagt ook bij tot een vreedzamer maatschappij. Talige mensen kunnen hun gevoelens en argumenten met nuances uiten, in een algemeen verstaanbare taal, als ze zich door iemand beledigd of gekwetst voelen. ((Nee! Door mensen een talig schuldgevoel aan te praten worden ze net taalarmer, en durven ze amper nog wat te zeggen. Van die schaamte raken we nu pas wat van af. Het is onzin om te beweren dat dialect- of tussentaalsprekers zich niet goed kunnen uitdrukken en dat in het Standaardnederlands plots wél goed zouden kunnen, laat staan dat ze daardoor naar wapens zouden grijpen)) En aldus persoonlijke conflicten vreedzaam aanpakken. Taalarme mensen kunnen zich sneller minderwaardig of vernederd voelen en misschien tot ‘slaander’ argumenten overgaan. ((WAT?))

Daarmee is natuurlijk absoluut niet gezegd dat minder taalvaardige mensen automatisch gewelddadiger zijn. ((Dat heb je net wél gezegd, Mia)) Maar toch bestaat er een groter gevaar dat de stoppen doorslaan als de verbale repliek blokkeert. La misère du Verbe fait la violence du poing, waarschuwde jaren geleden al de schitterende Franse commentaarschrijver Claude Imbert (Le Point, 8 februari 2007). ((Oja, diezelfde Claude Imbert die er trots op is dat hij een islamofoob is – fraai gezagsargument!))

In dat commentaarstuk, met als titel ‘Les mots pour le dire’, stelt Imbert stelt dat in Frankrijk de dagelijkse taal van het ‘gewone volk’ ((Het dedain druipt er intussen zowat van af)) verschraalt en verarmt, omdat ze niet meer goed onderwezen wordt ((En we weten intussen wat met “goed” onderwijs bedoeld wordt)). ‘En wat de meer elitaire taal ((ik dacht dat we in dit stuk net voor meer gelijkheid gingen, waarom zouden we dan iets als “elitaire taal” willen?)) betreft, de taal die aan de Literatuur haar rijkdom, aan de Wetenschap haar definities, aan het Recht zijn klaarheid geeft, die taal lijdt steeds meer aan bloedarmoede, sinds de zware aderlating van het humaniora.’

De samenhang van een maatschappij lijdt er inderdaad ((“Inderdaad”? Het bovenstaande lijkt me allesbehalve een pleidooi voor “de samenhang van een maatschappij”, maar goed)) ook onder als niet in de gezamenlijke cultuurtaal in dezelfde, bekende termen over dezelfde zaken en problemen gesproken wordt ((Dat gezamenlijke taalgebruik bestaat wél, in toenemende mate zelfs, maar het is inderdaad niet de taalvariëteit die de barones voor ogen heeft)). Goed taalonderwijs als ondersteuning van een harmonische samenleving, het is het overdenken meer dan waard.

Conclusie: geef iedere Vlaming een taaladviesboek naar keuze, laat ze verplicht alle afleveringen van Hier spreekt men Nederlands herbekijken en naar Marc Galle luisteren,  en de overbevolking in onze gevangenissen is ook meteen opgelost. Minister Geens kan zich alvast in de handen wrijven. En kijk, mijn dierbare stadsgenoot is al helemaal overtuigd:

Waarom de Taaltelefoon moet blijven rinkelen*

Nu de storm aan opinies, verwijten en sussende berichten rond de besparingen bij de Taalunie weer is gaan liggen, blijkt de hakbijl nog niet definitief opgeborgen: dit keer (b)lijkt de Taaltelefoon op het blok te liggen. Het was Vlaams Parlementslid Bart Caron (Groen) die afgelopen weekend in De Zondag de kat de bel aanbond, na ongeruste berichten van medewerkers van de taaladviesdienst. De Vlaamse administratie stelt in het “kerntakenplan” voor om de Taaltelefoon – de dienst van de Vlaamse overheid waar elke burger om advies over taaladvies kan vragen – weg te bezuinigen, al is de weinig verrassende reactie van het kabinet van Vlaams minister-president Geert Bourgeois dat er op dit moment nog geen enkele beslissing is genomen. De Taaltelefoon bestaat sinds eind oktober 1999, en wil “op een systematische, efficiënte en klantgerichte wijze taaladvies verstrekken aan de burgers”. Sindsdien beantwoordde de Taaltelefoon zowat 150.000 taalvragen (dat het aantal vragen de laatste jaren daalt, heeft trouwens een goeie reden), waarmee ze de kwaliteit van het taalgebruik in Vlaanderen ondersteunt en een belangrijke en maatschappelijk relevante adviesrol vervult. De dienst wordt op dagelijkse basis gebruikt door journalisten, communicatiemedewerkers van bedrijven, leerkrachten, ambtenaren, juristen en zo veel andere taalprofessionals. Gisteren lieten die trouwens op een ludieke manier zien hoe een leven zonder Taaltelefoon er zou uitzien, onder de hashtag #copyzondertaaltelefoon op Twitter.

Nu wordt door de Vlaamse administratie dus voorgesteld om de dienst te privatiseren – niet alleen omdat “opdoeken” minder goed klinkt, maar ook omdat de Vlaamse regering decretaal verplicht is om een taaladviesdienst voor de burger te organiseren. Is een uitbesteding dan wel het beste idee? En welke private partner bezit voldoende expertise om de taken van de Taaltelefoon over te nemen? Het kleine aantal private dienstverleners dat in Vlaanderen met de materie bezig is, valt grotendeels terug op de adviezen van diezelfde Taaltelefoon. Wie als alternatief Taaladvies.net noemt, de taaladviessite van de Taalunie, weet niet dat beide diensten sterk met elkaar verstrengeld zijn: de Taaltelefoon fungeert als Belgische partner in het adviesoverleg van de Taalunie, zorgt voor erkenning en waardering voor de Vlaamse taaleigenheid, en beantwoordt ook de (Belgische) vragen die bij Taaladvies.net binnenkomen. In een stuk dat vandaag op Neder-L verscheen, vraagt Johan De Schryver (KU Leuven, campus Brussel) zich af of een privatisering wel écht zo’n slecht idee is – met verwijzing naar de post, die na de privatisering ook een performanter bedrijf is geworden. Voor De Schryver heeft Vlaanderen nood aan een gezaghebbende taaladviesdienst, waarop een democratische controle mogelijk is. Nu spreken verschillende taaladviesbronnen elkaar rijkelijk tegen, waardoor er “zoveel standaardtalen zijn als er taaladviesbronnen zijn”, en ook de schoolboeken Nederlands zijn in hetzelfde bedje ziek, zoals recent nog bleek uit het recentste nummer van Over Taal. Om uit die situatie te raken, is nood aan een gezaghebbende taalinstantie die dicht wil aansluiten bij de taalwerkelijkheid, zonder een eigen koers te willen varen, en de Taaltelefoon was en is op dat gebied aardig aan de weg aan het timmeren: net doordat de adviezen van de Taaltelefoon door zo veel andere spelers geraadpleegd en gebruikt worden, lijkt er in de taaladvisering van de laatste jaren een zekere convergentie waarneembaar. Dat het om een overheidsinstantie gaat, betekent dat ook aan het criterium ‘democratische controle’ is voldaan, zowel in de Interparlementaire Commissie (IPC) van de Nederlandse Taalunie als in de Commissie voor Cultuur, Jeugd, Sport en Media van het Vlaamse Parlement.

Dankzij Caron kwam de Taaltelefoon deze week in beide commissies aan bod: maandag zijdelings in de IPC-commissie, en vandaag ook in een parlementaire vraag aan Vlaams minister van Cultuur Sven Gatz (Open Vld). Gatz benadrukte in zijn antwoord dat er nog niets is beslist (of besproken) binnen de regering, en dat het voorstel enkel geopperd werd in het kader van het “kerntakenplan” van het Departement Kanselarij en Bestuur. Daarnaast bevestigde hij dat er momenteel geen enkele private partner bestaat met dezelfde expertise als de Taaltelefoon, zoals die met het Genootschap Onze Taal wél bestaat in Nederland. Verder wou hij zich echter nog niet uitspreken vooraleer er “binnen de schoot van de regering” over gesproken is.

* Met excuses voor de misschien wat knullige titel – helaas is het aantal mogelijke telefoonmetaforen vrij beperkt. Misschien is dat trouwens ook iets om over na te denken: moeten we de dienst nog wel met de term ‘Taaltelefoon’ aanduiden, als het aantal telefoontjes terugloopt? De naam op zich heeft misschien al een negatieve invloed op hoe het maatschappelijke belang van de dienst gepercipieerd wordt.

Lees meer opinies over de Taaltelefoon op Neder-L (hierhier en hier) en op de website van Miet Ooms.

Deze week verscheen bij Davidsfonds Typisch Vlaams. 4000 woorden en uitdrukkingen. Daarin bieden Ludo Permentier en Rik Schutz een uitgebreide versie van het begin dit jaar verschenen ‘Gele Boekje’ aan: ze bespreken ongeveer 4000 woorden en uitdrukkingen die in Nederland niet voorkomen, maar in Vlaanderen frequent te horen zijn. Wat betekenen die woorden precies, en waar komen ze vandaan? Voor dat boek, en voor de beoordeling van de woorden, kregen Permentier en Schutz hulp van – jawel – de Taaltelefoon.

Over de symbolische waarde van spelling

Toeval of niet, maar gisteren was het thema ‘spelling’ zowel in de Vlaamse als in de Nederlandse pers nadrukkelijk aanwezig. In Vlaanderen was de aanleiding het BEL10-initiatief van de openbare radiozender Radio 1, waarin afgelopen maandag Onderwijs werd aangesneden – altijd goed voor een paar snedige oneliners en verhitte discussies. Het waren echter niet de radiogesprekken die de dag nadien de krant haalden, maar de reacties op het forum: onder de veelzeggende titel ‘Nederlan(d)(t)s’ haalde een anoniem en duidelijk gefrustreerde docent aan een Vlaamse hogeschool een waslijst van fout gespelde woorden en zinnen aan, naar eigen zeggen allemaal “uit één pagina van één examen bij één klas van 117 studenten”. In zijn (of haar) overzicht zijn er vooral heel wat dt-fouten terug te vinden – dankzij collega Dominiek Sandra (UA) weten we intussen al hoe dat komt – maar de lijst bevat ook andere taalfouten: spelfouten zoals gelijdelijk of breede, foute verwijswoorden (een proces dieeen geheel die), foute voegwoorden (vragen als zij jullie kan brengen, vragen aan mama als je vier dagen naar Werchter mag) en missers die al een duidelijke indicatie geven van de regio van herkomst van de student in kwestie (Je mama geeft net een nieuwe auto gekocht). De anonieme reactie volstaat al om er een krantenartikel aan te wijden, dat de dag nadien paginagroot in de kranten Het Laatste Nieuws en De Morgen verschijnt. In beide gevallen staat een lijstje met de flagrantste voorbeelden prominent in beeld. Volgens de lesgever in kwestie is een van de grote oorzaken dat leerkrachten van niet-taalvakken geen punten meer mogen aftrekken voor taalfouten, waardoor leerlingen bij taken en examens geschiedenis of fysica niet meer op spelling hoeven te letten. Daarnaast hebben leerlingen volgens hem of haar (lastig, die anonimiteit!) ook geen liefde meer voor hun moedertaal, en leerkrachten krijgen dan ook de raad mee hun leerlingen beschaamd te laten zijn voor spelfouten: “Zorg ervoor dat ze trots zijn op een correcte spelling en beschaamd voor kromtaal, net zoals ze in de kleuterklas hebben geleerd beschaamd te zijn voor broekplassen”. Nou, die kan wel tellen.

In de krantenartikels worden er gelukkig ook taalkundigen aan het woord gelaten om een en ander te nuanceren. Zowel collega Pol Cuvelier (UA) als ikzelf benadrukken dat de huidige generaties studenten het niet plots pakken slechter doen dan vroeger: de democratisering van het hoger onderwijs heeft vooral tot een gewijzigde instroom geleid, en een groeiend aantal studenten heeft moeite met (academisch) taalgebruik. Sommige studenten kunnen moeilijk inschatten welk soort taalgebruik gepast is in welke situatie, mankeren de woordenschat om zich in elke situatie goed te kunnen uitdrukken, of hebben gewoon niet de juiste attitude: ze kúnnen dan wel goed Nederlands schrijven, maar ze doen te weinig moeite. Onlangs verscheen er trouwens nog een nota van de Taalunie (of juister: van de Raad voor Nederlandse Taal en Letteren) waarin benadrukt wordt dat er ook aandacht voor taalvaardigheid moet zijn in het hoger onderwijs. In elk geval: de belangrijkste nuancering die taalkundigen in dit soort discussies kunnen (en moeten!) brengen is dat taal meer is dan spelling alleen.

Opvallend toch, hoe spelling zo’n belangrijke rol blijft spelen? Ook in Nederland was spelling begin deze week immers een hot topic in de pers, met de aankondiging van staatssecretaris Sander Dekker (Onderwijs) dat spelling toch weer een rol van betekenis zou gaan spelen in het centrale eindexamen Nederlands voor het havo en het vwo. Eerder had Dekker beslist dat spelfouten in de antwoorden van leerlingen niet meer in rekening mochten worden gebracht, wat hem op een storm van kritiek kwam te staan. Kamerlid Jasper van Dijk (SP) surft nu handig mee op die golf van spellingverontwaardiging, door er parlementaire vragen over te stellen. Opvallend is de manier waarop Dekker zich tegen de kritiek verdedigt: naast de melding dat spelling wél wordt getoetst in het schoolexamen Nederlands, en dus wel degelijk wordt geëvalueerd, stelt hij ook dat het niet zo is dat spelling op dit moment geen rol speelt in de eindexamens. Als door idiomatische of grammaticale oneffenheden een antwoord minder juist of zelfs fout wordt, kunnen er punten worden afgetrokken, aldus Dekker. Nogal bizar, vindt ook Marc van Oostendorp in een column die vandaag op Neder-L verscheen:

Dat ‘idiomatische en grammaticale oneffenheden’ wel worden meegerekend, is dus een bewijs dat de spelling ertoe doet. De spelling kan zo ongeveer staan voor de hele schriftelijke taalvaardigheid – en je schriftelijk kunnen uitdrukken wordt op zijn beurt om de een of andere reden weer beschouwd als belangrijker dan kunnen lezen, laat staan kunnen spreken, laat al helemaal staan kunnen luisteren.

Waarom vinden we spelling dan toch zo belangrijk? Het antwoord ligt eigenlijk voor de hand: omdat het ongeveer het enige onderdeel van taalvaardigheid is dat zichtbaar en “objectief” is. Een woord is correct gespeld of niet, en dat zwart-witkarakter is vrij uniek als we het over taalvaardigheid hebben. Bij spreek- of luistervaardigheid ligt dat bijvoorbeeld al een stuk moeilijker, om maar één voorbeeld te geven. Kunnen spellen is een vorm van taalvaardigheid die erg makkelijk meetbaar is, ook voor wie geen taalkundige, taalbeheerser of leraar is. Wie een paar gedrochten van dt-fouten ziet – de anonieme docent vermeldt bijvoorbeeld stondt of hanteerdt – kan dan zonder veel scrupules het woord “taalverloedering” van stal halen.

Publieksbevraging VRT: “65% wil Algemeen Nederlands horen in alle VRT-programma’s”

Onlangs vond een nieuwe publieksbevraging plaats over het aanbod op de openbare omroep VRT. De bevraging werd uitgevoerd door de Universiteit Antwerpen bij 1.710 Vlamingen, en de resultaten ervan werden deze week voorgesteld in het Vlaams parlement, waar momenteel gewerkt wordt aan de nieuwe beheersovereenkomst voor de openbare omroep. De krant Het Nieuwsblad lichtte enkele interessante cijfers uit het rapport (dat hier te lezen is), en daarin komt ook een stelling over het gebruik van standaardtaal op de openbare omroep aan bod:

De VRT moet het Algemeen Nederlands hanteren in al haar programma’s.

Op die stelling antwoordt 65,2% van de ondervraagden “ja” (som van ‘eerder belangrijk’ en ‘heel belangrijk’). Ik kan me voorstellen dat sommigen dat best een hoge score vinden, en de stijging ten opzichte van 2010 is opvallend: toen was 52,8% het nog met de stelling eens. Tegelijk had ik verwacht dat de score nog hoger zou liggen: intussen weten we dat de modale Vlaming een hoge symbolische waarde toedicht aan het Standaardnederlands, en dan is het ook logisch dat daar voor de openbare omroep bepaalde verwachtingen aan gekoppeld worden. Het woord symbolische in de vorige zin is echter van belang: intussen weten we uit allerlei studies – waaronder ook mijn eigen onderzoek, tot op zekere hoogte – dat er een diepe kloof gaapt tussen het gepercipieerde belang van Algemeen Nederlands en de eigenlijke taalpraktijk.

De stelling op zich is trouwens nogal onzinnig: toen in 2012 het VRT-Taalcharter werd vernieuwd (iets waar ik toen ook over geschreven heb), werd daarin meer aandacht geschonken aan taalvariatie. In een interview met De Bond zegt taalraadsman Ruud Hendrickx daarover: “De kijker ziet ook het verschil tussen de kok Jeroen Meus, die geen vlekkeloos Nederlands hoeft te spreken, en een nieuwsanker. Die laatste gebruikt altijd standaardtaal. In bepaalde fictiereeksen kan daar wel van worden afgeweken.” Met andere woorden: op de openbare omroep is er niet alleen ruimte voor Algemeen Nederlands, maar ook voor andere taalvariëteiten en -varianten. Die taalkeuze hangt af van een aantal factoren: het medium (radio, tv of de website?), het genre (het journaal of een amusementsprogramma?) en dus ook de rol (een kok of een nieuwsanker?). Stellingen over “Algemeen Nederlands in alle VRT-programma’s” zijn misschien interessant op dat symbolische niveau – en bevestigen tot op zekere hoogte mijn verwachtingen – maar zijn eigenlijk vrij nietszeggend.

VRTbevraging1

VRTbevraging3

Dat blijkt trouwens ook als we er nog een andere stelling bijnemen, over dialect in VRT-programma’s:

In de fictieseries en amusementsprogramma’s van de VRT mag men dialect spreken.

Hier wordt wél expliciet een genreonderscheid gemaakt (fictie en amusement, in tegenstelling tot bijvoorbeeld nieuws- en informatieprogramma’s), maar daarbij wordt meteen naar dialect gepeild, in plaats van naar pakweg tussentaal. Dat laatste zou misschien ook wat moeilijker geweest zijn, aangezien niet elke Vlaming tussentaal (h)erkent als een specifieke taalvariëteit (of cluster van variëteiten) tussen standaardtaal en dialect in. Opvallend is hier dat 59,6% het eens is met de stelling – een beetje bizar, want daarnet vond ruim 62% van de informanten nog dat het altijd Algemeen Nederlands moest zijn. Het kan verkeren, wist Bredero al. Mij valt het trouwens vooral op dat veel informanten voor deze stelling het weinigzeggende midden opzoeken: bijna de helft van de informanten heeft ‘noch oneens, noch eens’ of ‘eerder eens’ aangeduid. Bij de stelling over Algemeen Nederlands wordt het ‘extreme’ standpunt (‘heel belangrijk’) wél vaak aangeduid – daar hebben we die symbolische waarde weer.

Als uitsmijter: voor beide stellingen wordt trouwens een geslachts- en een leeftijdsverschil gemeld. Vrouwen en oudere respondenten hechten meer belang aan het gebruik van Algemeen Nederlands in de programma’s van de VRT dan mannen en jongere respondenten, en dat geldt ook voor de toelaatbaarheid van dialect in fictiereeksen en amusementsprogramma’s. Hoe ouder men is, hoe hoger de kans dat men vindt dat de VRT het gebruik van dialect moet vermijden, ook in fictie en tv-amusement. Er blijkt ook – weinig verrassend – een verschil te zijn als we naar sociale klasse kijken: mensen met een hogere sociaal-economische status staan wat kritischer tegenover het gebruik van dialect op de openbare omroep.

VRTbevraging2

VRTbevraging4

Meer lezen: VRT-taalraadsman Ruud Hendrickx reageerde intussen ook op de cijfers, en wijst naar eerder onderzoek van de VRT-studiedienst uit 2011. Daaruit blijkt dat de Vlaming veel genuanceerder over omroeptaal denkt dan uit de cijfers hierboven blijkt. Theoretisch wil de Vlaming overal standaardtaal, maar in de praktijk hoeft het niet echt – al helemaal niet als hij zich met de spreker kan identificeren.

BronPaulussen, S., Panis, K., Dhoest, A., Van den Bulck, H. & Vandebosch, H. (2015). De Vlaming over de VRT. Publieksbevraging 2015. Onderzoeksrapport in opdracht van de Vlaamse Overheid, Departement Cultuur, Jeugd, Sport en Media. Antwerpen: Universiteit Antwerpen, Faculteit Sociale Wetenschappen, Departement Communicatiewetenschappen. 110 p