Page 10 of 10

Over het verkeer, pianospelen en eten als een varkentje: op zoek naar standaardtaalmetaforen

Om eerlijk te zijn: ik dacht dat, na de stukken van Geert Van Istendael en ondergetekende in de zaterdageditie van De Standaard, het wel stilaan gedaan zou zijn met het aanhoudende taaldebat rond de Hoe Vlaams is uw Nederlands?-test. Alle argumenten en bingokaarten konden weer netjes opgeborgen worden tot volgend jaar, want uiteraard barst de strijd ook dan weer onverminderd los. Het blijft me verbazen hoe er elk jaar opnieuw een aanleiding wordt gevonden om de taaldiscussie weer van onder het stof te halen: een nieuw VRT-Taalcharter (2011), de publicatie van een boek dat niet negatief staat tegenover tussentaal (2012), een enquête die aantoont dat tussentaal overal is (2013), en dit jaar dus een nieuwe enquête, die aantoont dat wat ‘Vlaams’ best wel aanvaardbaar is in onze standaardtaal (2014).

Maar goed, de discussie is dus nog niet voorbij, want vandaag mochten zowel m’n dierbare collega Ludo Permentier als barones Mia Doornaert zich eens te meer uitspreken, allebei in een column. Daarin verdedigen ze als vanouds elk hun eigen standpunt. Voor Permentier is ‘elke regel die de expressiemogelijkheden van taal ook maar een klein beetje inperkt, (…) een slechte regel’; Doornaert veroordeelt – zoals steeds – het ‘kneuterige provincialisme’ van de sociolinguïsten (zo, die kan ik ook weer op mijn conto schrijven) en benadrukt dat er maar één Nederlands is, om dan weer over noemen en heten te beginnen. Ze heeft het trouwens eens te meer over de ‘toenemende onkunde van het onderwijzend personeel’, en bewijst zo perfect het punt dat ik zaterdag nog maakte: we vechten vooral een symbolische strijd uit, waarbij we in kringetjes blijven draaien (en waar het reële taalgebruik zich intussen geen zier van aantrekt).

Wat me vandaag echter vooral opviel, was de metaforiek die zowel door Permentier als door barones Doornaert werd aangewend om naar de standaardtaal(problematiek) te verwijzen. Voor Permentier is taal te vergelijken met het verkeersreglement:

Stel je voor dat het niet voor taal was gegaan, maar over het verkeersreglement. Dat is er om het verkeer vlot en veilig te laten verlopen. Ik durf te stellen dat elke verkeersregel die de vlotheid en veiligheid van het verkeer belemmert, een slechte regel is en ik hoop dat de voorzitter van de wetgevende macht dat ook vindt.

Het is een beproefde metafoor, dat verkeer, want Geert Van Istendael maakt er in een toespraak voor het gemeenschapsonderwijs (GO!) uit 2008 (p. 31) ook gebruik van, om net het tegenovergestelde punt te maken:

De sociolinguïsten die beweren dat er twee aparte talen zijn in Nederland en Vlaanderen, maken een ernstige denkfout. Zij verwarren feit met norm. Zij redeneren als de snelheidsduivels die zeggen, als de meerderheid op de autoweg meer dan honderdtwintig kilometer per uur rijdt, dan bestaat die snelheidsbeperking niet meer. Als iedereen door het rode stoplicht rijdt, bestaat het rode stoplicht niet meer.

De leraar handhaaft de norm. Het klinkt weinig sympathiek, de leraar als politieagent, maar we weten allemaal dat de verkeerspolitie nodig is. Heel erg nodig.

Het is een populaire verkeersregel, die 120 km/u, want ik verwijs er in een artikel (mijn allereerste!) uit 2011 (p. 17-18) ook naar, wanneer ik het heb over de kloof tussen taalbeleid en taalpraktijk in het onderwijs:

Op zich is, zoals al in de inleiding werd gesteld, het bestaan van de kloof tussen beleid en praktijk niet problematisch: een beleid moet net fundamenteel verschillen van de praktijk en op een dusdanige manier gevoerd worden dat de praktijk in de richting van het beleid opschuift. Net zoals het verkeersreglement enkel stipuleert dat het verboden is om op de autosnelweg harder te rijden dan 120 kilometer per uur omdat er in de realiteit blijkbaar mensen zijn die het gaspedaal nog een stuk dieper indrukken, legt de overheid hier regels met betrekking tot het Standaardnederlands op omdat leerkrachten in de praktijk (lang) niet altijd standaardtaal spreken. Daar ligt het probleem dus niet: een taalbeleid moet de facto een streefdoel zijn. Alleen: het moet een realistisch streefdoel zijn dat in de praktijk voor verbetering zorgt, en daar moeten toch enkele vraagtekens bij worden geplaatst. Is het wel realistisch om altijd en overal Standaardnederlands te eisen op school terwijl de maatschappij (zeker in informele contacten) steeds meer op tussentaal draait? Is standaardtalig onderwijs beter onderwijs? Moeten leerlingen én leerkrachten zich niet vooral bewust worden van de kracht van taalvariatie, en de status, kenmerken en bruikbaarheid van de verschillende taalvariëteiten? Het zijn vooral die vragen waarop zowel beleidsmakers als scholen, leerkrachten en leerlingen een antwoord moeten weten te vinden.

Het valt op dat de invalshoek hier telkens anders is: voor Van Istendael is een regel een regel, en is de norm de norm – en die wordt niet in vraag gesteld. Permentier bekijkt die verkeersregels (net als taalregels) een stuk kritischer: is het verkeer hiermee gebaat? Zal het hierdoor veiliger en vlotter verlopen? Dat is ook het punt dat in mijn eigen citaat hierboven probeerde te maken: er is sowieso een verschil tussen beleid en praktijk, tussen norm en taalgebruik (anders zou er geen nood zijn aan regels), maar het is maar de vraag of dat onverkort streven naar het ultieme Standaardnederlands, met alle bijbehorende taalregels, wel realistisch is en een verbetering impliceert.

Mia Doornaert schakelt een versnelling hoger (we blijven in de verkeerssfeer), en linkt correct taalgebruik aan een goede opvoeding:

Wel ja, laten we dan meteen opvoeding afschaffen. Die doet niets anders dan kinderen ‘fnuiken’. Dat begint al wanneer je ze leert – of drilt – om zindelijk te zijn. Om niet te schoppen of te slaan omdat ze een driftbui hebben. Om niet met open mond te kauwen, om bestek te gebruiken.

Stel dat je je kinderen thuis laat eten als varkentjes, en ze nette tafelmanieren alleen doet bovenhalen als ze ‘bij mensen’ eten.

Ik vind het fascinerend: we hebben het hier over de tolerantie van Vlaamse ‘taalprofessionals’ voor een paar honderd Vlaamse taalelementen in een voor het overige nog steeds gemeenschappelijke standaardtaal, maar dat wordt hier meteen gelinkt aan eten als varkens. Op zich vind ik het een geslaagde metafoor, omdat het het dedain laat zien dat mevrouw Doornaert blijkbaar voelt voor vormen van Belgisch Nederlands of – godbetert! – tussentaal. Daar wordt opnieuw het klassieke voorbeeld aan gekoppeld: het verschil tussen noemen en heten (dat ik overigens zelf nog steeds afkeur, en vele leerkrachten met mij, want dat is iets compléét anders dan de taalvarianten waar het in de taaltest van dit jaar over ging).

Een tweede metafoor die mevrouw Doornaert – niet voor de eerste keer trouwens – bovenhaalt, is die van het pianospelen (en hier ook het zingen):

Kinderen of volwassenen liet men, solo of in koorverband, niet vals zingen uit schrik ze te ‘fnuiken’. Of wild op een piano hameren omdat het ‘leuk’ moest blijven.

De pianometafoor kwam ook boven op het Taaldebat, vorige dinsdag op de Boekenbeurs: je laat kinderen ook niet vrolijk – ‘vrijheid blijheid!’ – op een piano tokkelen! Nu, ik kan me voorstellen dat het vroeger anders was, maar in het huidige deeltijds kunstonderwijs wordt zeer constructief en opbouwend gewerkt: kinderen zijn goed bezig, krijgen schouderklopjes en tips, en worden zeker niet ‘gefnuikt’ in hun expressie. Die expressie gaat zelfs voor op het vormcorrecte. In het taalonderwijs dat Doornaert lijkt voor te staan, ligt de focus op taalregels en correctie, en (dus) op een negatieve benadering: ‘zeg niet X maar Y’, ‘dat is fout’. Zo creëer je evenmin een positieve attitude ten aanzien van de standaardtaal, en dat kunnen heel wat leerkrachten uit mijn onderzoek bevestigen.

Naast het verkeer, de varkentjes en de piano zijn er uiteraard nog heel wat andere standaardmetaforen. Denk maar aan de zondagsepakmetafoor, waarin het Standaardnederlands met een zondags pak vergeleken wordt: je trekt het aan bij formele gelegenheden, maar je voelt je er nooit écht comfortabel in. Doornaert heeft de metafoor ook al vaak gedebiteerd (op het strand kleed je je anders dan wanneer je naar de opera gaat), en Jan Hautekiet haalde deze week op Twitter een variant boven: als de standaardtaal het pak is, dan is het dialect de pyjama en tussentaal de T-shirt. Dat foutieve lidwoord zal de kers op de taart geweest zijn, vermoed ik. Een forumgebruiker op VlaamseTaal.be maakt alvast brandhout van de metafoor:

Op het strand kleedt ge u anders dan voor de opera. Ik mag het hopen! Als ge u toch enigzins comfortabel wilt voelen toch. Maar, als ge naar de opera gaat – metafoor voor een bepaald taalgebruik (ge moogt zelf de adjectieven invullen) – is het naar de huidige normen helemaal OK om in jeans en pull te gaan. (Zouden ze Steve Jobs de toegang geweigerd hebben?) Het moet echt niet meer in kostuum van welke stijl dan ook. Dus ook in dat bepaald taalgebruik waarvan u de adjectieven zojuist gekozen hebt mag het wat meer casual zijn. Dat Mia Doornaert aantrekt wat ze wilt maar ze moet zich niet ergeren aan diegenen die zich meer comfortabel voelen in wat ‘lossere’ kleding.

Mijn vraag aan de lezers van dit stuk: kent u nog standaardtaalmetaforen? Ik kijk uit naar alle suggesties, zodat mijn lijstje verder kan groeien.

Leerkrachten zijn wel degelijk taalprofessionals, maar ze zijn ook zoveel méér

Op dinsdag 4 november vond op de Boekenbeurs in Antwerpen het Taaldebat plaats, waarin een aantal eminente ‘taalliefhebbers’ met elkaar in discussie gingen. Astrid Houthuys, eindredactrice van De Standaard, en Miet Ooms, vertaler en Taaltelefoonmedewerker, schreven er allebei een accuraat, weldoordacht verslag over, waarin telkens ook de pijnpunten van het debat worden blootgelegd. Het debat oversteeg immers nooit écht de clichés, en had geen aandacht voor oplossingen of alternatieven. En wat mij nog het meest stoorde: leerkrachten waren, eens te meer, kop van Jut. Reden genoeg om in mijn pen te kruipen, en onderstaand opiniestuk te schrijven, bij wijze van reactie. Een (ingekorte) versie van het opiniestuk verscheen op zaterdag 8 november in De Standaard (abonnees vinden het stuk hier; voor anderen heb ik hier de tekst geüpload). 

bingok

Leerkrachten zijn wel degelijk taalprofessionals, maar ze zijn ook zoveel méér
Een antwoord op het Taaldebat

Op 1 september kreeg ik een uitnodiging in mijn mailbox, met de vraag om deel te nemen aan de taaltest-voor-taalprofessionals van De Standaard, KU Leuven, Radio 1 en de Taalunie. De insteek van die taaltest was alweer veelbelovend: hoe ‘Vlaams’ is het Nederlands van dergelijke taalprofessionals? Ik voelde me meteen aangesproken (als lesgever in de opleiding Nederlands), maar ook geïntrigeerd en zelfs al licht geïrriteerd (als onderzoeker). Ik wist immers meteen wat voor debat er ons weer boven het hoofd hing, en welke argumenten en clichés daarbij van onder het stof zouden worden gehaald. Mijn bingoblaadje lag al op voorhand klaar. Centraal: als we de norm loslaten, rest er alleen chaos. Links daarvan: we zijn al met zo weinig, moeten we die groep Nederlandssprekenden nu nog eens opsplitsen? Rechts: Algemeen Nederlands is een dwingende voorwaarde voor emancipatie. Onderaan, met rood aangestipt: Het is allemaal de schuld van de leerkrachten. De rest van mijn blaadje stond vol met een aantal ‘klassieke taalzorgfouten’, die natúúrlijk welig zullen tieren als de (Noord-)Nederlandse norm wordt losgelaten: noemen/heten, dagdagelijks, gekend/bekend, mutualiteit/ziekenfonds. Ik heb mijn zelfgemaakte bingospel glansrijk gewonnen, maar gelukkiger ben ik er niet van geworden.

Knackjournalist Joël De Ceulaer schoot al in een kramp nog voor de resultaten in het Radio 1-programma Hautekiet besproken waren, door van “een zwarte dag voor het Nederlands” te gewagen. Dat bleek meteen het startschot voor een resem stevige tweets (voor een bloemlezing verwijs ik naar de Storify die ik eruit heb gedistilleerd), want het 140 tekenskeurslijf van Twitter sméékt natuurlijk om stevige oneliners. Die oneliners werden ook gretig opgepikt in de debatten in Terzake, Reyers Laat en Hautekiet zelf, en nog eens in het Taaldebat dat dinsdagavond op de Boekenbeurs werd gehouden. Van dat Taaldebat, waar ik dankzij de vriendelijke uitnodiging van de Taalunie ook bij mocht zijn, had ik op voorhand veel verwacht: een gesprek van anderhalf uur voor een select publiek biedt immers meer kans op een diepgravend debat dan een tweet van 140 tekens of een programma-item van 5, hooguit 10 minuten. Helaas kwam het panelgesprek opnieuw niet veel verder dan de clichés op mijn bingokaartje, en was er amper aandacht voor oplossingen of alternatieven. In de plaats daarvan werd opnieuw stellig geponeerd dat ‘de norm loslaten’ betekent dat de poorten van de hel wagenwijd worden opengezet, maar daar is absoluut geen sprake van. Eén: wat meer ‘Vlaamse’ elementen in de standaardtaal betekent niet dat de norm wordt losgelaten, wel dat die norm wordt geactualiseerd en tot een haalbare en wenselijke norm wordt gemaakt. Twee: het gaat om een paar honderd woorden, die samen slechts een fractie uitmaken van de volledige Nederlandse woordenschat. Een aangepaste norm betekent dus niet dat we onze “nu al zo kleine” taalgemeenschap nog kleiner maken, wel dat er uiting wordt gegeven aan een accentverschil tussen Noord en Zuid – dat er trouwens nu al is, of we dat nu willen of niet. Onderzoekster en collega Sarah Van Hoof wees er in het Taaldebat gisteren overigens fijntjes op dat we die variatie tussen Nederland en Vlaanderen wél probleemloos toelaten in onze uitspraak van het Nederlands. Waarom is het bij woordenschat – zelfs bij minieme verschillen als (een) beroep doen op – dan wél een blijkbaar onoverkomelijke zaak? Niemand van de panelleden twijfelde er gisteren aan dat er een norm moet zijn, maar zo’n norm kan behoorlijk wat variatie verdragen.

Nog vervelender vind ik dat de oorzaak van al die gepercipieerde taalverloedering steevast bij het onderwijs (en in tweede instantie de media) wordt gelegd. Uit de taaltest blijkt immers dat leerkrachten het tolerantst zijn voor Vlaamse elementen in het Nederlands, wat sommigen er al snel toe verleidde om hen “laks” te noemen, en te stellen dat ze blijkbaar “geen taalprofessionals” zijn (nog eens De Ceulaer*). Het onderwijsdomein kwam in het Taaldebat dinsdag maar kort ter sprake, maar die korte tijd bleek voor Mia Doornaert te volstaan om er nog een stevige schep bovenop te doen: leerkrachten die niet strikt vasthouden aan de (Noord-)Nederlandse norm, geven geen blijk van verdraagzaamheid of openheid, maar van onkunde. Door geen of onvoldoende aandacht aan grammatica en woordenschat te besteden, zouden ze samen met de leerlingen vervallen in wat Doornaert het ‘me Tarzan you Jane’-taaltje noemt. Dat is opnieuw een scenario waarin het enige alternatief voor een strikte norm de complete chaos is, en het valt me op dat in dat discours elke vorm van niet-standaardtalig taalgebruik (in de strikte zin) over dezelfde kam wordt geschoren. Belgisch-Nederlandse elementen en tussentaal worden gewoon aan elkaar gelijkgesteld, hoewel ook Johan De Schryver (KU Leuven), die dit onderzoek begeleidde, in zijn onderzoeksrapport aangeeft dat dat een volstrekt andere discussie is. Helaas wordt dat blijkbaar niet als dusdanig gepercipieerd, waardoor ik me verplicht voel te reageren.

Bron foto: De Standaard -  http://www.standaard.be/cnt/dmf20141102_01355399
Foto: An Nelissen – De Standaard

Voor mijn doctoraatsonderzoek heb ik de voorbije twee jaar lessen bijgewoond van 82 leerkrachten uit basisscholen en secundaire scholen over heel Vlaanderen, van Ieper tot Hasselt. Met elk van die leerkrachten heb ik achteraf ook boeiende gesprekken gehad, waarin ik peilde naar hun houding tegenover het Algemeen Nederlands, en andere variëteiten van het Nederlands, zoals tussentaal en dialect. Daaruit bleek dat zowat alle leerkrachten zich terdege bewust zijn van hun taalopdracht: elke leraar is immers een taalleraar, zoals voormalig Onderwijsminister Frank Vandenbroucke (sp.a) het in 2006 stelde. Leerkrachten hechten dan ook veel belang aan het Algemeen Nederlands, en verbeteren nauwgezet spel- en dt-fouten, grammaticale fouten en fout geconstrueerde zinnen. Dat doen ze echter vooral in geschreven teksten (taken, opstellen, eindwerken), en vaak veel minder in het gesproken taalgebruik van leerlingen. Als leerlingen in de klas in gesprek gaan met elkaar of met de leerkracht, is immers vooral de inhoud van wat ze zeggen belangrijk, en vinden de meeste leerkrachten het niet opportuun om elke afwijking van het Standaardnederlands meteen publiekelijk te corrigeren. Betekent dat automatisch dat leerkrachten “laks” zijn als het over taalgebruik gaat? Absoluut niet. Ze zijn zich terdege bewust van die taak, en mogen zich wat mij betreft ook absoluut taalprofessionals noemen. Taal is voor leerkrachten immers elke dag opnieuw het voornaamste middel om zich van hun belangrijkste taak te kwijten: leerlingen de nodige kennis en vaardigheden bijbrengen. Die pedagogische taak is zonder twijfel de belangrijkste, en dat taal daarbij geen doel is, maar louter een middel, zorgt er nog niet voor dat ze gedegradeerd worden tot taalamateurs.

Wat wél klopt, is dat het eigenlijke taalgebruik van leerkrachten bij het lesgeven vaak niet voldoet aan die standaardtaalnorm: uit zowel mijn als eerder onderzoek blijkt dat het taalgebruik sterk afhankelijk is van wat de leerkracht precies aan het doen is (bij het geven van theorie of instructies standaardtaliger, bij het vertellen van anekdotes of het illustreren van de stof vaak wat tussentaliger), van de gemoedstoestand van de leerkracht (wie zich kwaad maakt, spreekt tussentaliger), van het doelpubliek (een leerkracht die de hele klas aanspreekt, doet dat vaak standaardtaliger dan wanneer hij of zij met één leerling praat), en van tal van andere factoren. In de praktijk blijkt die strikte standaardtaalnorm echter ook bijna nooit gehaald te worden in die klassikale, theoretisch gerichte instructiefasen. De vraag is dan maar hoe die kloof tussen beleid en praktijk kleiner moet worden gemaakt. Leerkrachten beseffen van zichzelf dat ze die strikte norm vaak niet halen, maar vinden dat zelf ook niet altijd nodig: ze doen hun best, waken erover dat ze verstaanbaar zijn (wat verklaart dat zowat alle leerkrachten benadrukken dat ze géén dialect gebruiken bij het lesgeven), en focussen zich voor het overige vooral op het inhoudelijke en het didactische. Is dat dan een verkeerde keuze? Van leerkrachten wordt heel veel verwacht, onder meer ook dat ze aandacht aan taal moeten besteden. ‘Taal’ gaat daarbij trouwens veel verder dan enkel het eigen taalgebruik: het gaat ook om schooltaal, om het opbouwen van academische taalvaardigheid, om omgaan met anderstalige leerlingen, enzovoort. Het is de taak van lerarenopleidingen om toekomstige leraren bewust te maken van dat brede gamma (misschien iets té brede gamma) aan opdrachten en taken, maar als de ruimte om aandacht te besteden aan taal beperkt blijft tot één of in het beste geval enkele vakken, is het dan wel opportuun om die aandacht onverkort te richten op het uitroeien van allerlei ‘-ismen’ en ander Vlaams woordengespuis?

Tijdens mijn veldwerk heb ik de afgelopen twee jaar vooral bijzonder veel gepassioneerde leerkrachten gezien, die professioneel genoeg zijn om zich zowel inhoudelijk als talig van hun taak te kwijten, en het niet verdienen om “onkundig” of “laks” te worden genoemd. Helaas blijft die perceptie hardnekkig overleven, en wordt het onderwijs telkens opnieuw geviseerd, taaldebat na taaldebat: zowel bij het verschijnen van het boek ‘De manke usurpator’ in 2012 als bij de bekendmaking van de resultaten van het grote taalonderzoek rond tussentaal in 2013 brak er evengoed een storm van kritiek los, niet zelden gericht tegen leerkrachten. Zo blijven we elk jaar dezelfde strijd uitvechten, maar raken we ooit één stap verder? Benieuwd of we elkaar volgend jaar in de Boekenbeursweek opnieuw treffen. Mijn bingokaart ligt alvast klaar.

Debat in ‘Reyers Laat’, met Jan Hautekiet en Joël De Ceulaer (vanaf ca. 27’20”)

Uit de onderwijsbeleidsnota van Crevits: vijf krijtlijnen van het talenbeleid van de overheid

Gisteren dook de beleidsnota van Vlaams minister van Onderwijs Hilde Crevits (CD&V) op verschillende kranten- en nieuwswebsites op, en door tal van lekken bleek de pers de nota zelfs al een paar dagen geleden in handen te hebben gekregen. De eerste beschouwingen in de kranten focussen vooral op de aandacht voor het hoger onderwijs, de relatieve vaagheid wat de onderwijshervorming in het secundair onderwijs betreft (worden ASO, BSO en TSO nu afgeschaft of niet?) en de belofte om ‘vol vertrouwen en in dialoog te bouwen aan onderwijs’ – meteen ook de titel van de beleidsnota. Dat bouwen mag trouwens ook vrij letterlijk worden genomen, met de plannen voor nieuwe schoolinfrastructuur. Crevits pleit er in haar nota ook voor om de planlast voor scholen sterk af te bouwen, en benadrukt herhaaldelijk de autonomie van en het vertrouwen in scholen. Tegelijk vraag ik me bij veel voorstellen in de nota af (en ik ben niet de enige) of ze niet net tot méér regels en controles zullen leiden.

Nu, wat me vanuit mijn job vooral interesseert, is wat de minister in deze nota over taal en talenonderwijs te zeggen heeft. Het is nog niet duidelijk of Crevits net zoals haar voorgangers Vandenbroucke en Smet een talenbeleidsnota zal uitwerken, maar uit deze beleidsnota leid ik alvast vijf krijtlijnen af van het talenbeleid van de overheid voor de komende vijf jaar.

1. Kennis van het Nederlands blijft een nadrukkelijk aandachtspunt

Er wordt nog steeds nadrukkelijk ingezet op kennis van het Nederlands, het liefst zo vroeg mogelijk (Crevits wil de participatie aan het kleuteronderwijs nog verhogen), want “[k]ennis van het Nederlands is essentieel voor een volwaardige deelname aan het sociale en economische leven” (p. 32*). Het Nederlands beheersen wordt in de nota ook verbonden met kansen op sociale mobiliteit (p. 15). Het NT2-aanbod wordt dan ook versterkt, met meer gecombineerde leertrajecten, een sterker aanbod tijdens vakanties, weekends en avonden, en een aanbod met private aanbodverstrekkers om de hiaten in te vullen. De middelen voor het NT2-aanbod komen onder het beheer van de minister die bevoegd is voor inburgering (p. 32).

2. Task Force voor de Nederlandstalige scholen in de Vlaamse Rand

Het aantal leerlingen met een andere thuistaal dan het Nederlands blijft in de Nederlandstalige scholen in de Vlaamse Rand toenemen. In het basisonderwijs gaat het nu al om 37,8% (2013), in het secundair onderwijs om 25,8% (2013). Crevits richt een ‘Task Force Onderwijs Vlaamse Rand’ op om de scholen in de Vlaamse Rand verder te ondersteunen bij de implementatie van hun taalbeleid Nederlands (p. 53). De Task Force moet het bestaande studiemateriaal synthetiseren en analyseren, en de methodieken die ook effectief wérken (nog) actiever implementeren in de scholen.

3. Sterkere competenties in het Nederlands en in moderne vreemde talen

De minister wil de competenties van het Nederlands en de moderne vreemde talen blijvend verbeteren (p. 34), door in te zetten op een sterke taalvaardigheid en talenkennis. Crevits wil dat alle scholen een actief talenbeleid voeren, zodat de kennis van het Nederlands en de moderne vreemde talen wordt versterkt. In de vorige legislatuur werkte Smet al aan nieuwe eindtermen Nederlands; nu pleit Crevits voor “ambitieuzer […] geformuleerd[e]” (p. 35) eindtermen vreemde talen (Frans, Engels en Duits). Recente vernieuwingen (zoals de taalscreening) worden opgevolgd (p. 35).

Hier toch even een klein stukje persoonlijke interpretatie: in het kader van mijn eigen doctoraatsonderzoek valt het me op dat Crevits nergens in deze nota de begrippen Standaardnederlands of standaardtaal laat vallen – in tegenstelling tot Smet trouwens, die in zijn beleidsnota (uit 2009) nog stelde dat “[b]innen de taalvaardigheid bijzondere aandacht naar een verzorgd gebruik van de standaardtaal Nederlands [moet] gaan” (p. 29), en in zijn talenbeleidsnota (2011) nog een stuk verder ging in die nadruk op het Standaardnederlands. Voor Crevits (b)lijkt het te volstaan dat er op het Nederlands als taal wordt ingezet, zonder te discrimineren tussen bepaalde taalvariëteiten (maar misschien is dat een te positieve lezing van mijn kant).

4. CLIL mogelijk in secundaire scholen, basisscholen krijgen ruimte voor taalinitiatie

Secundaire scholen die in het CLIL-onderwijs (Content and Language Integrated Learning) willen instappen, zullen dat kunnen doen. Voor het basisonderwijs lijkt dat niet het geval te zijn, al laat de minister ook daar ruimte voor taalinitiatie in het Engels, Frans en Duits – op voorwaarde dat de leerlingen het Nederlands voldoende onder de knie hebben (p. 35).

5. Het ‘evenwicht’ tussen Nederlandstalig en anderstalig hogeronderwijsaanbod behouden

In het hoger onderwijs zijn er niet meteen taalgerelateerde veranderingen op til: het Nederlands wordt herbevestigd als de bestuurs- en onderwijstaal van de universiteiten en hogescholen, en tegelijk blijven de huidige mogelijkheden en voorwaarden om een anderstalig hogeronderwijsaanbod in Vlaanderen in te richten behouden, met het oog op de toenemende internationalisering (p. 35).

* De paginanummers die in deze bijdrage vermeld worden, corresponderen met een eerdere versie van de beleidsnota. Nu de lay-out is aangepast, kloppen niet alle verwijzingen nog. De citaten zijn wel nog steeds correct.

Standaardtaal of tussentaal op school: zijn leerkrachten taalbewakers of taalbegeleiders?

TL;DR. Leerkrachten kunnen twee mogelijke rollen aannemen in hun omgang met het Nederlands in de klas: ze kunnen taalbewakers zijn, die strikt vasthouden aan de standaardtaalnorm, of taalbegeleiders, die openstaan voor taalvariatie en vooral inzetten op registervaardigheid. De houding van leerkrachten tegenover die standaardtaal is wat dubbel, zo blijkt uit de eerste analyses van mijn doctoraatsonderzoek: enerzijds onderschrijven veel leerkrachten het belang van Standaardnederlands, anderzijds geven ze toe (vaak) geen standaardtaal te spreken bij het lesgeven. Leerkrachten zetten verschillende strategieën in om die kloof tussen theorie en praktijk te dichten, bijvoorbeeld door te stellen dat standaardtaal te formeel is voor gebruik in de klas, of door de norm open te trekken tot alles wat geen dialect is.

Tot een week of twee geleden zag het er niet zo naar uit, maar op 15 november sta ik – voor het eerst – op de HSN-conferentie (vroeger Het Schoolvak Nederlands, maar dat is tegenwoordig weggevallen) in Brugge. De voorbije jaren kwam er meestal iets tussen, dit keer gelukkig niet! Wat me aan die HSN-conferenties zo aanspreekt, is dat ze in de eerste plaats gericht zijn op leerkrachten Nederlands, die elke dag opnieuw met hun beide voeten in de klaspraktijk staan. Voor een onderzoeker is dat soms wat aanpassen: een presentatie op een wetenschappelijk congres, voor een publiek van taalkundigen en sociolinguïsten, is net wat anders dan een praktijkgerichte workshop voor leerkrachten op een conferentie als HSN. Al sinds het begin van mijn doctoraatsonderzoek, in 2010, probeer ik beide soorten presentaties te geven – niet om mijn lijstje met gegeven presentaties zo lang mogelijk te maken, wél om maximale feedback te krijgen op het onderzoek dat ik aan het doen ben. Op wetenschappelijke conferenties kan ik mijn netwerk uitbouwen, collega’s leren kennen die vergelijkbaar of complementair onderzoek doen, nagaan of mijn theoretisch kader en mijn methodologische keuzes wel sluitend zijn, en de eerste (voorlopig nog zeer voorzichtig geformuleerde) resultaten presenteren. Congressen voor professionelen bieden me dan weer de gelegenheid om de vertaalslag naar de praktijk te maken: wat kan er met dit onderzoek gebeuren in de praktijk? Welke vragen beantwoordt het precies, en op welke manier? Hoe kunnen leerkrachten die onderzoekresultaten concreet in de klas inzetten, en wat moeten ze nu precies doen?

Met mijn bijdrage op HSN 28 wil ik laten zien dat er twee mogelijke visies zijn op de manier waarop leerkrachten met taal (moeten) omgaan, elk met hun aanhangers en tegenstanders. Aan de ene kant kun je de leraar zien als een taalbewaker, een soort politieagent of poortwachter die het Standaardnederlands met hand en tand moet verdedigen.

“De leraar handhaaft de norm. Dat klinkt weinig sympathiek, de leraar als politieagent, maar we weten allemaal dat de verkeerspolitie nodig is. Heel erg nodig.” (Van Istendael 2008: 31

Binnen die zienswijze wordt heel sterk gefocust op het belang van Algemeen Nederlands als een manier om sociale ongelijkheid weg te werken, om hoger op de ladder te klimmen. Dat is ook de manier waarop het overheidsbeleid (i.c. de talenbeleidsnota’s van de vroegere Onderwijsministers Vandenbroucke en Smet) standaardtaal benadert: alleen die taalvariëteit is geschikt in een klascontext, en op die manier kunnen gelijke kansen gegarandeerd worden voor alle Vlaamse leerlingen. Standaardtaal is “correct en rijk”, “verzorgde taal en communicatie”, en “het resultaat van de lat hoog leggen”, aldus Vandenbroucke. Voor andere variëteiten heeft het beleid geen goed woord over: die zijn “krom en regionaal” en ronduit “slordig”. Bij het schrijven van taalbeleidsdocumenten en het bijwerken van het schoolreglement hebben veel scholen dat discours (deels) overgenomen, met regels als “Op school wordt altijd het Algemeen Nederlands gebruikt, zowel door leerlingen als door leerkrachten” of “Het gebruik van het Algemeen Nederlands is een doelstelling van ons onderricht en een kenmerk van ontwikkeling”. De leerkrachten annex taalbewakers moeten leerlingen dan (dus) niet alleen op inhoud, maar ook op het correcte gebruik van Standaardnederlands afrekenen, met alle bijbehorende evaluatie- en strafmechanismen. Dat ze daarbij ook zelf constant strikt aan het Algemeen Nederlands moeten vasthouden, is natuurlijk vanzelfsprekend (in theorie tenminste, want in de praktijk is dat lang niet het geval).

Rechttegenover de leerkracht-taalbewaker staat de tweede visie: die van de leerkracht als taalbegeleider. Daarin ligt de focus net op taaldiversiteit, en is er aandacht voor meer dan één taalnorm of -register. Voor leerlingen is het dan cruciaal dat ze voeling krijgen met het juiste taalregister in de juiste situatie, en dat ze inzicht krijgen in hoe de verschillende taalvariëteiten van het Nederlands naast elkaar kunnen functioneren.

“De idee van zo’n strikte norm staat haaks op de dynamische ontwikkeling van taal en taalgebruik. Ze gaat terug op de manier waarop vroeger Latijn en Grieks werden gedoceerd. Dat is een heel formalistische aanpak, waardoor we taal toetsen zoals we dat doen voor wiskunde of aardrijkskunde. Dat vind ik onrealistisch. In het taalgebruik passen we ons voortdurend aan elkaar aan. Dat aanpassen, dat wisselen van registers, dat moeten we op school leren.” (Ad Backus van de universiteit van Tilburg, geciteerd in T’Sas 2012)

Het valt trouwens op dat de eindtermen voor Nederlandse taalbeschouwing veel dichter bij deze visie aansluiten (i.t.t. de beleidsnota’s), met aandacht voor een open geest tegenover taalvariatie en vooral reflectie op andermans taalgebruik.

Voor mijn doctoraatsonderzoek, waarin ik het taalgebruik en de taalpercepties en -ideologieën van leerkrachten in het basis- en secundair onderwijs bestudeer, heb ik 82 leerkrachten geobserveerd en geïnterviewd. De hoofdvragen waren daarbij: wat voor taalgebruik hanteren ze? Welke factoren beïnvloeden dat taalgebruik? Hoe denken leerkrachten over standaardtaal en andere taalvormen/taalvariëteiten? Wat verwachten ze van leerlingen en van zichzelf op taalgebied, en hoe schatten ze zichzelf in? In mijn bijdrage voor HSN analyseer ik de interviews met acht leerkrachten uit een Gentse secundaire school, met enkele frappante resultaten:

  • Het taalgebruik van leerlingen wordt door de meeste leerkrachten positief ingeschat: los van een dalende woordenschatkennis en problemen met zinsbouw, is het (gesproken) taalgebruik meer dan behoorlijk. Leerkrachten verwachten vooral spontaan, respectvol en beleefd taalgebruik. Tussentaal wordt ofwel niet als aparte variëteit beschouwd, ofwel niet geproblematiseerd. Wat echter niet kan, is dialectgebruik in de klas;
  • Hoewel de meeste leerkrachten dus openstaan voor tussentaal, onderschrijven ze ook het taalbeleid van de overheid, met Standaardnederlands als de enige passende schoolvariëteit. Catchphrases als ‘elke leerkracht is een taalleerkracht’ worden vaak geciteerd tijdens interviews, al blijken leerkrachten in de praktijk vaak maar weinig van taalbeleid af te weten;
  • Dat leerkrachten het standaardtaalideaal van de overheid onderschrijven, zorgt ervoor dat de vraag ‘Spreekt u standaardtaal tijdens het lesgeven?’ een vrij gevoelige lading krijgt: leerkrachten zijn er zich terdege van bewust dat er van hen standaardtaal wordt verwacht, en kunnen zich daar dus niet zomaar weer van distantiëren – zelfs als ze van zichzelf weten dat ze lang niet altijd standaardtaal spreken. Een eerste analyse van de interviews laat zien dat er een aantal mogelijke strategieën zijn om dat verschil tussen theorie en praktijk te verantwoorden: zo vinden sommige leerkrachten standaardtaal een te formele variëteit om in de klas in te zetten, terwijl anderen hun definitie van wat standaardtaal is verbreden (tot alles wat geen dialect is).

Bij wijze van conclusie: het voorgaande heeft hopelijk laten zien dat leerkrachten op verschillende manieren in een tussenpositie blijken te zitten. Enerzijds zitten ze tussen beleid en praktijk in, met aan de ene kant een erg strikt beleid, eenzijdig georiënteerd op het Standaardnederlands, en aan de andere kant een complexe klaspraktijk gekenmerkt door diversiteit en taalvariatie. Anderzijds zitten leerkrachten ook ergens tussen standaardtaal en géén standaardtaal: op abstract niveau vinden ze het Standaardnederlands doorgaans wel belangrijk, en lijkt het erop dat de boodschap uit het taalbeleid van de overheid succesvol is doorgesijpeld, maar in concrete situaties verandert het discours vaak. Dan geven de meeste leerkrachten aan dat ze geen ‘echte’ standaardtaal spreken, en geven ze een andere invulling aan het begrip: door het te verbreden (“alles wat geen dialect is”) en door het voor te stellen als minder noodzakelijk voor álle situaties (“enkel in instructie”, “creëert een afstand”, “te formeel”). Tot slot zitten ze ook tussen de rollen van taalbewaker en taalbegeleider in: ze onderstrepen het belang van een norm, maar benadrukken dat het een relatieve en buigbare norm is, en dat leerkrachten zelf hun eigen norm (moeten) kunnen bepalen. Dat vereist natuurlijk dat leerkrachten de nodige kennis opdoen en het nodige bewustzijn ontwikkelen om hun eigen taalgebruik en dat van hun leerlingen adequaat in te schatten, een belangrijke taak die voor de Vlaamse lerarenopleidingen is weggelegd.

Meer weten? Een uitgebreidere versie van het bovenstaande is terug te vinden in het book of abstracts dat elk jaar bij de HSN-conferentie verschijnt (voor eerdere jaren, klik hier). In een artikel voor de Handelingen van de KZM (Koninklijke Zuid-Nederlandse Maatschappij voor Taal- en Letterkunde en Geschiedenis) is een uitgebreidere analyse van dezelfde Gentse interviews terug te vinden. Over de kloof tussen taalbeleid en taalpraktijk, met ook aandacht voor de eindtermen taalbeschouwing (Nederlands), schreef ik in 2011 een artikel voor de Studies van de BKL.

Welkom!

Welkom op deze persoonlijke website. Het is de bedoeling dat hier binnenkort veel meer te vinden valt over mijn werk als assistent Nederlandse Taalkunde aan de UGent, zowel wat mijn onderwijs, mijn onderzoek als mijn dienstverlening betreft. Deze website is in volle opbouw, dus kom binnenkort zeker nog eens een kijkje nemen.